Wordt China ook de beste met duurzaamheid?

Niet voor niets wordt de race om wie het eerste zijn duurzame energievoorziening op orde heeft wel de nieuwe industriele revolutie genoemd. Een land dat volledig – of tenminste voor een aanzienlijk deel – kan draaien op eigen duurzame energie is immers onafhankelijk van het onbetrouwbare buitenland. En duurzame energie betaalt zichzelf terug, als het eenmaal voldoende investeringen heeft gehad – naar een windmolen heb je geen omkijken meer als die er eenmaal staat.  
De strijd tussen het marktgeorienteerde Westerse kapitalisme en het Chinese, staatsgestuurde ‘kapitalisme’ wordt hier steeds duidelijker zichtbaar. Nu bouwen de Chinezen nog vrolijk de ene kolencentrale na de andere, maar uiteindelijk zou China de strijd wel eens kunnen winnen. De Chinese leiders hebben duidelijk hun intentie uitgesproken om deze nieuwe vorm van energieopwekking te domineren. Net zoals ze dat overigens bij alle andere vormen van industie willen.
Om dit doel te bereiken zijn de Chinezen wat minder gehinderd door landschapsbezwaren, hogere energieprijzen voor consumenten of eindeloze inspraakprocedures. Als de Chinese overheid zegt dat er ergens een windmolenpark komt, dan kómt dat er ook. Waarschijnlijk binnen een paar maanden. Tegen opstandige bewoners wordt over het algemeen de bulldozer gehanteerd. Bovendien is de band tussen overheid, investeringsfondsen en banken nogal nauw. In het Westen moeten er altijd private investeerders worden gevonden. Door de recessie ligt de focus niet meer zo op duurzame energie. Bovendien willen politici zich in verkiezingsjaren zelden ergens aan branden.
Vorig jaar bouwde China meer windmolens dan welk land dan ook. Of ze ook deze race gaan winnen is nog moeilijk te zeggen, maar de voordelen van China’s gestuurde ‘kapitalisme’ zijn overduidelijk.    

Bron(nen):   Reuters