Drie redenen waarom de ongelijkheid in de wereld nog veel groter is dan we denken

Het is eigenlijk geen nieuws meer, maar Oxfam maakte een tijdje geleden bekend dat de rijkste 1 procent meer bezit dan de rest van de wereld bij elkaar. De wereldwijde ongelijkheid is sinds het begin van de negentiende eeuw nog nooit zo groot geweest. En het is waarschijnlijk nog veel erger dan we denken, schrijft Jason Hickel, antropoloog aan de London School of Economics, in The Guardian.

32 biljoen in belastingparadijzen
Ten eerste zijn de schattingen van Oxfam nog aan de lage kant. Aangezien de rijken veel van hun vermogen wegsluizen is het onmogelijk om te weten hoeveel ze echt hebben. Recente schattingen suggereren dat er 32 biljoen dollar in belastingparadijzen is gestald. Dat is een zesde van de totale private rijkdom van de wereld. Als je dit bedrag zou meenemen, zou de ongelijkheid nog veel groter zijn, aldus Hickel.

Gini-index deugt niet
Ten tweede is het volgens veel experts relevanter om te kijken naar inkomensongelijkheid in plaats van naar vermogen. Die wordt gemeten met de Gini-coëfficiënt, waarbij een score van nul volledige gelijkheid betekent en een score van 1 complete ongelijkheid, dus wanneer één persoon alles bezit en de rest niets. Volgens Branko Milanovic, een van de belangrijkste ongelijkheidsexperts, gaat het de goede kant op: de Gini-coëfficiënt is gedaald van 0,72 in 1988 naar 0,71 in 2008, maar er is een groot probleem met deze index: hij meet alleen relatieve verandering. Dus als de inkomens van de rijken even hard stijgen als die van de armen blijft de index gelijk, terwijl het inkomensverschil in absolute zin natuurlijk veel groter is geworden.

Robert Wade, economieprofessor aan de London School of Economics, stelt dan ook dat we moeten kijken naar de absolute Gini-index. Hij heeft uitgerekend dat de ongelijkheid dan ineens sterk is toegenomen in de afgelopen decennia: van 0,57 in 1988 naar 0,72 in 2005.

Rijkste land 134 keer rijker dan armste
Het derde argument van Hickel gaat over de ongelijkheid tussen rijke en arme landen. Daarvan wordt gezegd dat die afneemt. Immers, de economische groei gaat in arme landen sneller dan in rijke dus zullen ze uiteindelijk hun achterstand in lopen. Deze convergentietheorie klopt niet, toont de geschiedenis aan. In 1960 waren mensen in het rijkste land ter wereld 33 keer rijker dan de mensen in het armste land, in 2000 waren ze 134 keer rijker en dan zijn outliers als belastingparadijzen of oliestaatjes niet meegerekend.

Ongelijkheid is niet natuurlijk
Het maakt niet uit hoe je het bekijkt, schrijft Hickel: de wereldwijde ongelijkheid neemt schrikbarend toe. Het schuldensysteem, vrijhandelsakkoorden, belastingontduiking en scheve machtsverhoudingen bij de Wereldbank, het IMF en de WTO zijn volgens hem allemaal belangrijke redenen waarom de ongelijkheid steeds erger wordt in plaats van beter.

Het is tijd dat we de onevenwichtigheden die onze mondiale economie verstoren onder ogen zien. Er is niets natuurlijks aan extreme ongelijkheid. Het is door de mens gemaakt. Het heeft te maken met macht. En we moeten de moed hebben om dat te zeggen, besluit Hickel.

Bron(nen):   The Guardian