“Voor veel mensen heeft psychotherapie geen enkel effect”

De coronacrisis heeft een onverwachte bijwerking: de vraag naar psychologische hulp is sterk gedaald. Het dreef de Volkskrant er toe om in gesprek te gaan met twee psychologen over het nut van psychotherapie.

Veerkracht
Relatie- en gezinstherapeut Flip Jan van Oenen (63) schreef een boek met de veelzeggende titel Het misverstand psychotherapie. Over de afname van het aantal meldingen voor psychische hulp zegt hij: “De crisis geeft mensen veerkracht: de strijd tegen de gezamenlijke externe dreiging leidt af van andere zorgen en lijden. Of de hulp die we bieden, is in een aantal gevallen misschien toch niet zo nodig, want als je de drempel verhoogt, haken ze blijkbaar af.”

De psycholoog kan lang niet alle problemen oplossen, betoogt hij dan ook in de krant. “Voor een aanzienlijke groep heeft een behandeling geen enkel effect. We kunnen suïcide niet voorkomen, ernstige anorexia niet goed behandelen. We wekken de indruk dat we iedereen van hun depressies en angst kunnen afhelpen, terwijl dat beslist niet het geval is. Maar het lijkt wel of de samenleving – en ook wijzelf als therapeuten – daarin is gaan geloven.”

Psychotherapie werkt (niet)
Psychotherapeut in de jeugd-ggz Kirsten Hauber (48) is het niet met hem eens. “Therapie lost zeker niet al je problemen op. Het is meer: leren omgaan met. In de dagelijkse praktijk zie ik hoezeer psychotherapie mensen en jongeren kan helpen. En ja, zelfs suïcides kan voorkomen.”  Even later zegt ze: “Het is wetenschappelijk aangetoond dat psychotherapie werkt. Zo’n 60 procent van de patiënten knapt ervan op.”

Van Oenen reageert: “Maar op dat cijfer is een boel af te dingen. De helft van die groep zou namelijk spontaan, dus zonder hulp, ook hersteld zijn, blijkt uit meta-onderzoeken waarin studies met elkaar worden vergeleken. Bij nog eens een derde werkt therapie überhaupt niet. En je kunt niet voorspellen in welke groep jij valt. […] Die 60 procent is bovendien niet genezen, die heeft ‘een afname van klachten’.”

Hauber moet toegeven dat er mogelijk een placebo-effect is. “Alleen al dat mensen dat geloven, is een deel van het succes. Ik ben dus bang voor de motivatie van cliënten. Als ik iemand voor me heb die zwaar depressief is en een negatief zelfbeeld heeft en ik zeg ‘zes op de tien mensen heeft hier baat bij’, dan weet ik nu al dat zo iemand denkt: ik zal wel bij die vier horen bij wie het niet werkt. Dát is het probleem.”

Placebo
Het is een misvatting dat het niet uitmaakt of het effect ontstaat doordat je er in gelóóft of dat het ontstaat door de therapie zelf. Therapie is namelijk duur. Je zou patiënten er dan beter van kunnen overtuigen dat hardlopen helpt tegen depressie: dat is een stuk goedkoper en ook nog eens goed voor de fysieke gezondheid. Van Oenen beaamt: “In de communicatie naar buiten moet je helder zijn. Want ondertussen trekken we als een magneet mensen naar ons toe doordat wij suggereren dat er zoveel kan. En als het dan tegenvalt, zeggen we: ‘ga nog eens naar die collega, die heeft veel ervaring met dit soort klachten.’ En worden ze eindeloos doorverwezen.”

Te veel hulp
Van Oenen: “Ik denk weleens dat er te veel hulp is. Een mens is misschien niet gebaat bij te veel vangnet. Uit onderzoek weten we dat als volwassenen op een wachtlijst staan voor therapie, ze na een paar maanden slechter af zijn dan mensen die daar niet op stonden en ook geen hulp kregen. We denken dat er minder spontaan herstel optreedt doordat ze in de wachtstand gaan staan en bijvoorbeeld geen steun in hun omgeving zoeken.”

Bron(nen):   De Volkskrant