Ruim honderd mensen per dag krijgen beroerte: ‘Niet alleen ouderen’

Elke dag worden meer dan honderd getroffen door een beroerte. Driekwart is ouder dan 65, maar ook veel jongere mensen kunnen dus een beroerte krijgen. Het is zaak om de symptomen snel te herkennen.

"Plots een scheve mond, gek praten of krachtverlies in de arm kan wijzen op een herseninfarct,” legt Malou Fanchamps uit in de Telegraaf. Ze werkt bij de Hersenstichting en is bewegingsexpert voor mensen die een beroerte kregen. "De wetenschap is hard bezig om herseninfarcten op de kaart te zetten. Daarbij is de boodschap: bel zo snel mogelijk 112 bij het vermoeden van een beroerte.”

Bij een beroerte krijgt een deel van de hersenen geen zuurstof en voeding. Als je er snel bij bent, kunnen bloedverdunners of verwijdering van het stolsel veel schade voorkomen.

De 44-jarige Danny Laponder herkende de symptomen echter niet. Hij kreeg op zijn 37ste een beroerte op vakantie in het zwembad. Hij voelde zich plots niet goed. "Misselijk en gedesoriënteerd. Dat is het verraderlijke; je hebt geen pijn, waardoor je niet meteen superalert bent.”

Niet meer werken
Op hersenscans was een witte vlek te zien: de schade die de beroerte had aangericht. Danny dacht snel te revalideren en ging na negen maanden weer aan het werk. "Maar toen begon het pas. Ik merkte dat ik overprikkeld raakte, concentratieproblemen en een kort lontje kreeg. Je wilt zo graag je ’ouwe zelf’ weer zijn, maar het lukte niet. Mijn zoontje ging in die tijd om half 8 naar bed. Vijf minuten later lag ik er, uitgeteld, ook in.” Uiteindelijk is hij volledig afgekeurd.

Expert Fanchamps: "Op het gebied van energie en beweging is nog wel wat te winnen. Uit onderzoek blijkt er verschil in bewegen te zitten tussen wat door een herseninfarct getroffen mensen nog kúnnen en wat ze daadwerkelijk dóén. Verder onderzoek moet uitwijzen waardoor dit komt – bijvoorbeeld door angst of onwetendheid – en of de behandeling verbeterd kan worden. Terug naar het oude leven is voor veel mensen heel lastig, maar actief blijven blijkt juist heel belangrijk.”

Bron(nen):   De Telegraaf