Nadat je hart stopt met kloppen, besef je niets meer, zou je denken. Toch vertellen miljoenen mensen wereldwijd dat ze tijdens een hartstilstand of andere levensbedreigende situatie iets opmerkelijks meemaakten: een bijna-doodervaring. Volgens internationaal onderzoek zegt ongeveer een op de tien mensen zo'n ervaring te hebben gehad.
Opvallend is dat de hersenen niet direct stilvallen wanneer iemand sterft. Onderzoek bij stervende comapatiënten laat zien dat verschillende hersengebieden nog korte tijd actief blijven. Wetenschappers proberen die hersenactiviteit te koppelen aan de ervaringen die mensen na reanimatie beschrijven.
Die verhalen vertonen opvallend veel overeenkomsten. Mensen spreken over een intens gevoel van vrede, een fel licht, ontmoetingen met overleden dierbaren, een veranderd tijdsbesef en het gevoel buiten hun lichaam te zweven. In onderzoeken onder hartstilstandpatiënten omschrijven velen hun ervaring als liefdevol en geruststellend. Slechts een minderheid, ongeveer 14 procent, spreekt van angstige of verontrustende beelden.
Een nieuwe wetenschappelijke verklaring, de zogenoemde dying-moment dream hypothesis, probeert deze ervaringen te duiden. Volgens de theorie ontstaat tijdens het stervensproces een droomachtige toestand. Door zuurstofgebrek en een plotselinge toename van hersenactiviteit en neurotransmitters, zoals serotonine, sluit het brein zich af van de buitenwereld. Vervolgens zouden herinneringen en emoties de inhoud van de ervaring bepalen.
Levensgeschiedenis
De theorie gaat nog een stap verder. Niet willekeurige herinneringen zouden opkomen, maar vooral ervaringen die passen bij iemands emotionele levensgeschiedenis. Wie een leven vol liefde en veilige relaties heeft gehad, zou eerder een vredige bijna-doodervaring beleven. Trauma, schuldgevoelens of angst zouden juist kunnen leiden tot angstige visioenen. Ook cultuur en religie lijken invloed te hebben op de manier waarop mensen hun ervaringen interpreteren. In christelijke culturen wordt een fel licht bijvoorbeeld gezien als een wezen van licht, maar in Japan is het een levenloos object, misschien gewoon een heel fel licht.
Die laatste aannames zijn echter nog niet bewezen. Hoewel onderdelen van de theorie aansluiten bij bestaand onderzoek naar hersenactiviteit rond het sterven, ontbreekt voor de invloed van iemands levensgeschiedenis nog overtuigend wetenschappelijk bewijs.
Bovendien meldt lang niet iedereen een bijna-doodervaring. Minder dan 40 procent van de mensen die een levensbedreigende situatie overleven, herinnert zich bewust iets van die laatste momenten; op intensivecareafdelingen ligt dat percentage zelfs rond de 15 procent.
Voorlopig blijft de bijna-doodervaring daarmee een fascinerend grensgebied tussen neurologie, psychologie en filosofie: een fenomeen dat steeds beter wordt onderzocht, maar nog lang niet volledig is verklaard.