Jacques van Doorn wist het beter

Deze week sprak ik een geleerde landgenoot, hoogleraar aan de oudste universiteit van het land, en we kregen het over Jacques van Doorn, de bekende socioloog en publicist die in 2008 overleed. 

Hij wilde me graag nog eens laten weten – het was niet voor het eerst – dat Van Doorn er in het islam-debat behoorlijk naast had gezeten. 

Ja islamdebat, zo zou je de al jaren slepende discussie kunnen noemen in dag- en weekbladen over de manier waarop Nederlanders en immigranten uit Turkije en Marokko met elkaar dienen om te gaan. Als ik me niet vergis, is het een beetje gedaan met dat islamdebat, vast omdat de luidruchtige Geert Wilders de rest tot figurant heeft gemaakt. 

Ikzelf kon de stelling over Van Doorn niet onderschrijven, integendeel, ik denk juist dat hij de meest prominente positie in dat debat heeft ingenomen. 

Van Doorn schreef in zijn columns in NRC Handelsblad en HP/De Tijd sinds jaar en dag over de nadelen van immigratie. Dat deed hij al toen bijna niemand dat durfde, omdat het taboe was. 

Twee jaren geleden werd hij over dit onderwerp beschimpt door Leon de Winter – inmiddels radicaal anti-islam – die begin jaren 90 nog een boekje had geschreven over de zegeningen van de multi-culturele samenleving. Waar De Winter haarscherp aanvoelde wat op enig moment de gangbare opinie was – en hij was niet de enige – daar schreef Van Doorn wat hij dacht, zonder zich te bekommeren om de gunst van het publiek. 

Hij had wel degelijk oog voor de nadelen van massale immigratie, maar was ook gehecht aan de burgervrede. Dat klinkt een beetje soft en je hebt denkers die – zolang ze tenminste achter hun schrijftafel zitten – graag ten strijde trekken tegen mensen die hen dwarszitten. Meer dan eens zijn intellectuelen in de ban van ideeen en achten ze de praktijk des levens daaraan ondergeschikt. Van Doorn vreesde echter een burgeroorlog als Nederlanders en moslims elkaar steeds opnieuw de waarheid zouden zeggen en pleitte voor een zekere terughoudendheid. En voor fatsoen, wat betekent dat je niet altijd hoeft te zeggen wat je denkt. 

Van iemand als Ayaan Hirsi Ali moest hij dan ook helemaal niets hebben en dat was enkele jaren geleden voor een Nederlandse columnist van het mannelijke geslacht vrij bijzonder. 

Hirsi Ali had iets wat hij verfoeide: moslims achterlijk noemen en waar mogelijk beledigen onder verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting. Hij vond het onaanvaardbaar dat een politicus zo van leer trok tegen een minderheid en dat had hij goed gezien. Dat hij Hirsi Ali geen groot licht vond – dit in tegenstelling tot de cercle die haar de hemel inprees en intussen haar artikelen en toespraken schreef – pleitte sowieso voor zijn opmerkingsgave. 

Was Van Doorn dan zo conservatief dat hij de vrijheid van meningsuiting wilde uitbannen? 

Nee, maar hij was te fatsoenlijk, en ook te wijs, om toe te juichen dat mensen keer op keer om hun godsdienst worden beschimpt. Je kunt niet straffeloos een grote minderheid uitschelden om wat deze gelooft. 

Tevergeefs verwees hij wel eens naar het bewind in Nederlandsch-Indie. Daar speelde ons land de baas over een enorme moslimbevolking, maar werd de beheersing betracht om meningsverschillen over godsdienst breeduit te meten. Wat onvermijdelijk tot tweespalt leidt, kan beter zo weinig mogelijk besproken worden. Maar wat Nederlandse bestuurders ver van huis een eeuwlang met succes was gelukt, kon de creme der Nederlandse intellectuelen in de 21 eeuw niet opbrengen. 

Jacques van Doorn was niet alleen oorspronkelijk en onverschrokken en intelligent, maar ook wijs. Het ging hem, behalve om ideeen, ook om de praktijk van het leven. Dat lijkt u heel gewoon? Het is onder intellectuelen zeldzamer dan u denkt.