Wereld moet niet sneller veranderen

DE WAARDE VAN ECONOMEN? EEN KORRELTJE ZOUT

 

Bijna had ik mijn abonnement op The Economist opgezegd. Maar ik heb het op het laatste moment toch weer verlengd. Ik lees het Londense zakenblad al tweeëntwintig jaar, dus waarom zou ik daar niet nog een drieëntwintigste jaar mee doorgaan? Ik heb een bloedhekel aan veranderingen en dan moet je niet ineens allerlei abonnementen gaan opzeggen.

 

De reden dat ik het blad de deur uit wilde doen, is pure ergernis. Ik weet nu zo langzamerhand wel wat het blad te melden heeft. Dat is altijd hetzelfde: landen moeten hun economie hervormen door nog meer marktprikkels in te voeren. Ik word daar hypernerveus van. De enige reden dat ik dit nog net kan verdragen is dat The Economist dit al tweeëntwintig jaar bepleit. Dat geeft houvast.

 

Niet dat ik een hekel heb aan economen of het economisch wereldbeeld. Ik ben zelf een Homo Economicus, die het liefst de dingen doet zoals hij ze altijd doet. Dat kost me de minste moeite en zo houd ik tijd over om andere dingen te doen die ik leuk vind of de diepte in te gaan bij vraagstukken die mij interesseren. Praat me niet van flexibiliteit, ik ben niet flexibel. Ik wil ook niet geprikkeld worden door de buitenwacht, met weer een nieuwe technologische vinding, of weer een nieuwe aanbieding voor nog sneller internet. Het liefst zou ik de wereld stilzetten, op een moment dat mij dat bevalt.

 

Het gevolg is, dat heb ik wel gemerkt, dat ik steeds achter de feiten aanloop. Maar goed, zolang ik de feiten kan bijhouden, is dat nog te doen. Dan moet de wereld echter niet nog sneller veranderen, want dan verlies ik mijn geduld en word ik boos op de boodschapper van het slechte nieuws. Op The Economist dus, want dat blad houdt iedereen voor dat er veranderd moet worden, morgen nog een slagje sneller dan vandaag. Wie dat niet doet, mist de afslag naar de toekomst, en dan schudden de Londense economen meewarig het hoofd. Dat de toekomst om de economie draait, staat buiten kijf. Wie deze ‘economische realiteit’ in de wind slaat, kan het wel schudden.

 

Frankrijk is zo’n land dat op cruise control vaart en geregeld op slechte rapportcijfers uit Londen mag rekenen. In november kreeg het land, vorig jaar nog Triple A, alvast de junkstatus aangezegd. Niet Italië of Spanje, maar Frankrijk is het grote zorgenkind in de eurozone. Als Frankrijk valt, valt de euro, en als de euro valt, valt Europa.

 

In het laatste nummer krijgt president Hollande, steevast in een pruttelende 2CV gezeten, er weer van langs. Hij staat voor de keuze tussen hogere belastingen of minder uitgaven. Het rechterknipperlicht van het plattelandskarretje is kapot, de bestuurder steekt zijn linkerarm uit. Dat wordt dus nog meer overheid, inderdaad een verschrikkelijk vooruitzicht, zo erg dat een Deense bankier al het einde van de euro heeft voorspeld. Denen moet je serieus nemen, want in 1992 zeiden de Denen al ‘nej’ tegen de euro, die toen nog door Deense economen – en The Economist – als noodzakelijk werd aanbevolen. Verstandig volk dus, met een vooruitziende blik.

 

Denemarken en heel Scandinavië zijn door het Britse zakenblad de afgelopen maand weer als voorbeeld aangeprezen voor de rest van Europa. De Vikingen zijn terug, nadat het Zweedse model – dat tweeëntwintig jaar geleden in een diepe crisis verkeerde – jarenlang had afgedaan. Onlangs ging daar nog Saab failliet, Volvo is aan de Chinezen verkocht, en Zweedse filmmakers tobben daar nog steeds over hun op de klippen gelopen huwelijk. Denemarken ken ik goed, dat wil zeggen: ik ben er de laatste vier jaar steeds geweest, zoals ik de jaren daarvoor steeds naar Frankrijk ging (ik houd niet van verandering) en elke paar jaar wel een keer in Parijs kom. Denen en Fransen zijn mij even lief, al weet ik niet wie meer achter de vodden moet worden gezeten.

 

In internationale statistieken scoren de Denen hoog als gelukkigste natie, best bestuurde land en  meest dynamische economie annex verzorgingsstaat. Maar hoe ze het ‘m lappen, is me een raadsel, ze houden zich in elk geval niet aan de richtlijnen van The Economist. In al die jaren heb ik nog nooit een Deen gezien die hard werkt, belastingen zijn er hoog, lunchtijden lang, en buitenlanders mogen er geen vakantiehuizen kopen en worden op belachelijk dure tolbruggen getrakteerd. Wie uit eten wil in de Deense provincie (het diepe Denemarken), mag blij zijn als hij een restaurant vindt dat niet al ruim voor sluitingstijd dicht is, en betaalt twee keer zoveel als in Parijs. Het zal best dat de Deense kinderopvang voortreffelijk is, maar daar heb je als buitenlander niet veel aan. Die wil een goede horeca, en snel een beetje. Maar bij het afrekenen moest ik bijbetalen, omdat ik geen Deense credit card had. Mind you, dat was in swinging Kopenhagen, niet in Jutland.

 

Dat is allemaal overkomelijk, wie op reis is moet niet zeuren. Maar The Economist vertelt vaak op basis van hetzelfde anekdotische feitenmateriaal een ander verhaal, en zegt dat de Denen het goed doen en dat de Fransen hoognodig moeten veranderen. Hou even op zeg, laat die Fransen gewoon door blijven lunchen, wat ze trouwens steeds minder lang doen, en steeds meer met fast food. Het gekke is dat ik in Frankrijk ‘meer markt’ zie dan in Denemarken, maar dat de Deense ambtenarij door The Economist wordt aangeprezen en de Franse niet.

 

Dat is geen economie, dat is politiek. En als er ergens géén value for money is, dan is het in Londen, waar alles altijd al twee keer zo duur was en ik al tien jaar niet ben geweest. Het Britse zakenblad kan mij van alles wijs maken, maar ik zou toch weleens uitgelegd willen zien wat er zo geweldig aan permanente markthervormingen is als je het ook zonder kunt doen. De waarde van economen? Na tweeëntwintig jaar The Economist denk ik steeds vaker: een korreltje zout.