De afzwaaiers

Tsjoeketsjoeketsjoek en weg zijn ze, de bewindslieden van het kabinet Rutte I die niet terugkeren in het nieuwe kabinet. Ze hebben de zaken op het ministerie overgedragen aan hun opvolger, hun laatste officiële handtekening gezet, afscheid genomen van de chauffeur, de kamerbewaarder, de medewerkers van het secretariaat en hun woordvoerders. En daarna hebben ze de deur achter zich dicht getrokken van het departement waar ze dachten te gaan gloriëren toen ze er twee jaar geleden, op 14 oktober 2010, glimmend van trots aantraden.

Niemand zal deze afgezwaaide bewindslieden missen, want het kabinet Rutte I beschikte over een aantal dramatisch zwakke plekken. Over het vertrek van deze ex-ministers en ex-staatssecretarissen laat niemand in Den Haag een traan:

  1. Uri Rosenthal. De slechtste minister van Buitenlandse Zaken sinds mensenheugenis. Rosenthal hield niet van reizen – onhandig voor een minister van buitenlandse zaken. De voormalige professor in de crisiskunde joeg zijn complete ambtenarenapparaat tegen zich in het harnas. Bij zijn aantreden zei hij dat men diende te begrijpen dat hij, met zijn achtergrond, niet in een Duitse dienstauto wenste te rijden. Binnen de kortste keren kende gonsde dit verhaal door diplomatiek Den Haag. Zijn pro-Israël beleid isoleerde Nederland binnen de Europese Unie. Door toedoen van Rosenthal steunde Nederland als enige land de kandidatuur van de president van de Israëlische centrale bank voor de post van directeur van het IMF. Die functie ging met steun van Europa en de VS naar de Franse minister van Financiën Christine Lagarde.
  2. Ben Knapen. Knapen wilde zo graag een keer regeren dat hij niet één, maar twee staatssecretariaten op zich nam: Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Het gevolg was dat hij op beide dossiers weinig presteerde, in de eurocrisis onzichtbaar bleef en op ontwikkelingssamenwerking niet serieus genomen werd.
  3. Jan Kees de Jager. De minister van Financiën is populair in het land en bij zijn eigen partij, maar onder zijn ambtenaren was hij minder getapt. Een aantal topambtenaren verliet het departement omdat ze De Jager politiek te populistisch en inhoudelijk zwak vonden.
  4. Henk Bleker. Ach ja, Henk. Liever bezig met zijn paarden en tv-optredens dan met landbouwbeleid. Henk heeft twee jaar besteed aan het droog houden van de Hedwigepolder.
  5. Maxime Verhagen. De CDA-leider en minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie blonk uit door, ja door wat eigenlijk. Nou vooruit: hij regelde het behoud van 1500 banen bij Nedcar in Born. Daarvoor is wel tientallen miljoenen subsidie en een veelvoud aan overheidsgaranties uitgetrokken.
  6. Gert Leers. De minister van Integratie en Asielbeleid zat klem tussen de PVV en de Europese regels. Van een kansloze opdracht maakte hij een geprangd vertoon van machteloosheid.
  7. Hans Hillen. De bewindsman van one liners en van steun aan de JSF.
  8. En dan ook nog: Halbe Zijlstra, die achteraf spijt kreeg van de bezuinigingen op de cultuursector die hij had uitvoerd, Joop Atsma, die geen belangstelling had voor zijn beleidsterrein milieu, Marlies Veldhuijzen van Zanten, de bewindspersoon op VWS die zo anoniem is gebleven dat het de vraag is of ze wel deel uitmaakte van het kabinet.
  9. De geest van Geert Wilders. De PVV had als gedoogpartij geen formele positie in het kabinet, maar oefende een grote invloed uit omdat steun van de PVV onmisbaar was om het kabinet in het zadel te houden. De geest van Wilders hield het kabinet tot de mislukking van de Catshuisonderhandelingen eind april in een sfeer van angst en achterdocht.