Niemand die weet hoe het verder gaat met Irak

Vandaag, op de dag van de verkiezingen in Irak, is het in de straten van de steden een stuk veiliger dan 3 jaar geleden. Al enkele keren ging er een maand voorbij zonder 1 Amerikaans slachtoffer en ook het aantal civiele doden ligt lager dan ooit gedurende de afgelopen 6 jaar (nu zo’n 300 doden per maand). Soennieten blijven dood en verderf zaaien met hun bomaanslagen, maar de gewenste schaalvergroting die moet leiden tot een algehele burgeroorlog heeft dit niet.
Alles draait om de vraag of het land veiliger kan. Eenvijfde deel van het nationale budget gaat naar leger en politie, en 1 mijoen Iraki draagt inmiddels een uniform. Het Amerikaanse leger helpt de regering met de opleiding van veiligheidstroepen en inmiddels staat het land vol met roadblocks en checkpoints.
The Economist vraagt zich af hoe het politieke leven erbij staat. De kunst is immers dat na deze parlementsverkiezingen partijen die elkaar niet mogen toch samen iets zullen ondernemen. Met andere woorden: zijn voomalige rivalen in staat de armen ineen te slaan (het aantal geliquideerde politici is nog altijd opvallend hoog)?
Evenzo broos zijn de ambtelijke instituties en de bureaucratie functioneert slechts zelden naar behoren. Oorzaak ook hier: onderling wantrouwen, waarbij de corrputie welig tiert. Een kentekenplaat voor een auto kost 3.000 dollar. Iemand die politieagent wil worden, betaalt 5.000. Wie kolonel in het leger wil worden, moet denken aan een investering van circa 300.000 dollar. Toegang tot de rechterlijke macht vraagt eenzelfde bedrag.
The Economist komt met een uitvoerige en zeer leesbare weging van de huidige stand van het land, maar weet uiteindelijk ook niet welke kant het op zal gaan. 
Intussen maken de Verenigde Staten zich op voor definitief vertrek. De VS gaven 800 miljard dollar uit aan Irak. Of dit geld goed besteed is, weet eigenlijk niemand.

Bron(nen):   The Economist