Politici, ambtenaren, rechters wisten van extreem geweld in Indonesië

Volgens het onderzoek naar de dekolonisatie blijkt dat "het overgrote deel van de verantwoordelijken aan Nederlandse kant - politici, officieren, ambtenaren, rechters en andere betrokkenen - wel degelijk kennis had of kon hebben van het stelselmatig gebruik van extreem geweld, maar in gezamenlijkheid bereid was dit te tolereren, te rechtvaardigen, te verhullen en onbestraft te laten."

Dit alles diende namelijk een hoger doel "om de oorlog tegen de Republiek Indonesië te winnen en zelf de regie te voeren over het proces van dekolonisatie." Op alle niveaus was er bereidheid de geschreven en ongeschreven rechtsregels en het eigen rechtsgevoel opzij te zetten, zeggen de wetenschappers van het onderzoek Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950.

"De Nederlandse onderschatting en verwerping van de breed gesteunde Indonesische onafhankelijkheidsbeweging was gebaseerd op een diepgewortelde koloniale mentaliteit", constateren ze. "Politici, militairen en bestuurders in de kolonie én in Nederland waren overtuigd van de Nederlandse superioriteit en lieten zich in hun streven naar beheersing van Indonesië vooral leiden door economische en geopolitieke motieven en het idee nog een missie in de ‘Oost’ te hebben en daar onmisbaar te zijn."

Dit leidde tot cruciale inschattingsfouten, zowel militair als politiek. Nederland kwam ook internationaal sterk geïsoleerd te staan.

De uiteindelijke formele overdracht van de soevereiniteit (op 27 december 1949) vloeide voort uit "sterke pressie van de internationale gemeenschap en het besef dat de oorlog niet gewonnen kon worden".