Waarom de moderne samenleving niet goed bij de mens past

Miljoenen jaren waren we jagers en verzamelaars. Iedere dag moesten we opnieuw ons kostje bij elkaar scharrelen. Daarvoor liepen we uren per dag. Zelden aten we te veel. Nu zitten we de hele dag op een stoel en is er meer eten dan we op kunnen. Is de mens al wel voldoende aangepast aan deze nieuwe levensstijl?

Schaarste
Quest sprak met Mark van Vugt, hoogleraar evolutionaire psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Als je de menselijke evolutie vergelijkt met een uur, legt hij uit, dan hebben we 59 minuten en 43 ­seconden in savannestijl geleefd. Pas in de laatste 12.000 jaar (17 seconden) gingen we in dorpen en steden wonen.

“Onze voorouders leefden in een omgeving waar regelmatig schaarste was aan voedsel”, geeft Van Vugt als voorbeeld. Omdat ze voedsel niet konden bewaren, bunkerden ze vet en suiker als het voor handen was. Van die berg calorieën konden ze immers in leven blijven in periodes dat er onvoldoende voedsel was.

Overal calorieën
Tegenwoordig zijn we omringd door caloriebommen. Ons oermensenbrein heeft het daar moeilijk mee. Die wil het liefst eten, eten, eten. Ook op het gebied van beweging gaat het mis. “Jagers-verzamelaars moeten calorieën verbruiken om calorieën te verzamelen,” zegt Van Vugt. “Gemiddeld twee uur per dag zijn ze intensief aan het ­lopen. Achter een prooi aan of naar een boom met een bijennest vol honing.” Onze jacht kost een stuk minder energie. We verzamelen geld om eten te kunnen kopen, maar doen dat meestal achter een bureau. Dan rijden we naar huis met de auto en ploffen op de bank. Ook dat past bij onze aard want de mens is van nature lui, zegt Van Vugt. “In een omgeving waarin voedsel schaars is, is het goed om zuinig te zijn.”

Parttime werken
Antropologen ontdekten bovendien dat de jagers-verzamelaars maar 15 tot 20 uur per week bezig waren met eten zoeken. De rest van de tijd hingen ze rond in de schaduw en deden ze bijvoorbeeld creatieve dingen als sieraden of beeldjes maken. “Misschien kan dat bij ons ook wel, ware het niet dat we druk ervaren om meer en langer te werken’, zegt Van Vugt. “Je wilt status vergaren, ergens goed in worden.” We werken graag 20 uur extra om meer geld te verdienen dan een ander en om meer status te krijgen.

Kleine groepen
Toch is de mens niet gemaakt voor grote organisaties, zegt antropoloog Robin Dunbar van de universiteit van Oxford. Hij vergeleek de neocortex in de hersenen met de groepsgrootte van apen. Hoe groter dit hersengebiedje was, hoe groter de groep. Hij trok de vergelijking door naar mensen en stelde dat een groep van maximaal 150 personen het beste was. Worden het er meer dan wordt de sociale omgang en samenwerking lastig. Hoogleraar Bram Buunk in Quest: “We zijn niet bedacht op leven in heel grote organisaties. Worden bedrijven groter dan ongeveer 150 mensen, dan komen er allemaal regels en bureaucratische procedures om alles in de hand te houden.”

Bron(nen):   Quest