Middeleeuwse wetenschap verdient meer respect

De Middeleeuwen heten natuurlijk niet voor niets ‘middeleeuwen’. Ze worden gezien als een overgangsfase tussen de Klassieke Oudheid en de Renaissance, een periode van duisterheid, van wetenschappelijke stagnatie en barbaarsheid. We denken aan de pest, armoede, heksenjachten en andere kwellingen. De historische werkelijkheid is anders. De Cambridge historicus James Hannam levert in zijn boek ‘Gods Filosofen‘ genoeg stof om dat beeld grondig te herzien. Volgens hem waren de Middeleeuwen juist een periode van enorme vooruitgang op het gebied van de wetenschap.

In de Middeleeuwen werden het kompas, de mechanische klok, de windmolen, het papier, het buskruit, de stijgbeugel en de drukkunst uitgevonden. Dankzij het kompas konden nieuwe werelden ontdekt worden, dankzij de boekdrukkunst werden miljoenen boeken geproduceerd. Ook het denken werd op nieuwe sporen gezet. In de twaalfde eeuw werden de eerste universiteiten opgericht, waar de academische vrijheid werd beschermd tegen de bemoeizucht van de vorst. Wetenschap in de hedendaagse zin van het woord bestond nog niet, men sprak wel van de ‘scientia’, de kennis, en die omvatte alle disciplines met inbegrip van theologie en filosofie. Een intellectuele doorbraak was dat men in de Middeleeuwen de natuur als afzonderlijk onderwerp begon te bestuderen. Hannam laat zien hoe cruciaal deze ‘natuurfilosofie’ was.

Maar in Oxford is geen middeleeuws handschrift te vinden. Die zijn door de humanisten bij het grof vuil gezet. Als zij wat meer respect hadden gehad voor het werk van hun voorgangers, had de wetenschap geen twee eeuwen vertraging opgelopen, aldus James Hannam.

Bron(nen):   De Pers  Filosofie Magazine (niet online)  boek