Floortje Dessing: “Ik moet het echt wat rustiger aan doen”

Donderdagavond begint het nieuwe reisprogramma van Floortje Dessing (48). Deze keer geen maatschappij ontvluchtende vrijbuiters, maar keurige ambassadeurs in de serie Floortje en de Ambassadeurs.

Het was nog niet zo eenvoudig om ze zover te krijgen om mee te werken, vertelt Dessing aan het Algemeen Dagblad. “Ze zijn huiverig voor het clichébeeld: zo nu en dan koninklijk bezoek ontvangen en een beetje gezellig borrelen. Ze hebben een veel meer politieke functie dan ik ook zelf dacht. Het is een heel ingewikkelde functie.” Ze spreekt onder meer met de Nederlandse ambassadeurs in Myanmar, Moskou en Iran.

Dessing vertelt aan de krant dat ze het de laatste tijd iets rustiger aan doet. “Ik merk dat mijn lijf het wat zwaarder heeft. Dat het wat ouder wordt en ik niet meer te veel hooi op mijn vork kan nemen. Toen ik geopereerd was, maakte ik drie maanden later alweer een tocht met absurde beklimmingen. Ik ben zó gedreven dat mijn lijf dan denkt: vooruit, ik doe wel mee. Maar dat wordt de laatste tijd wat moeilijker.’’

“Ik moet voorzichtiger zijn, zeker in landen waar van alles heerst. En tegenwoordig ga ik iets eerder naar een ander land. Even wennen, een beetje sporten en veel slapen. En zo op krachten komen om door te gaan.’’

Tegen wil en dank moet ze toegeven: “Ik moet het echt wat rustiger aan doen om het allemaal fysiek vol te houden. Aan de mentaliteit zal het niet liggen. Onlangs vertrok ik naar São Paulo. Ik heb de hele nacht over die donkere oceaan gevlogen. Dan ineens breekt het eerste licht door en zie je de eerste kuststukken van Zuid-Amerika. Ik krijg er nog steeds een dikke strot van. Als een kleuter zo blij. Magisch!’’

Maar toch, emigreren wil ze niet. Daarvoor is haar sociale omgeving te belangrijk. “Ik kan niet zonder mensen om me heen. Mensen die ergens anders helemaal opnieuw beginnen, zoals in Einde van de Wereld; ik zou het niet durven en kunnen. Nederland is ook veel te leuk. Ik ben zó blij om na een lange reis die duinen weer te zien.’’

,

Bron(nen):   AD