Moeten we het goud verkopen?

Gigantische schatten liggen in de geïndustrialiseerde wereld opgeslagen, in de vorm van nationale goudvoorraden in de kluizen van diverse nationale banken. De verleiding kon wel eens groot zijn om al dat goud te verkopen en daarmee de economische nood enigzins te verlichten. Maar is het ook verstandig, vraagt Die Welt zich af.
Nederland heeft in ieder geval iets te verkopen, blijkt uit onderzoek van het Duitse dagblad. Nederland heeft een goudvoorraad van 613 ton, ter waarde van 18,9 miljard euro, en bezet daarmee een achtste plaats in de wereld. Ver achter de koplopers, de Verenigde Staten en Duitsland, maar nog altijd voor China, Rusland, Groot-Brittannië. In Duitsland heeft een CDU-politicus voorgesteld de goudvoorraad te gebruiken om een deel van het economisch stimuleringpakket te financieren, maar hij vond weinig weerklank. De goudreserve was eigenlijk verworden tot een soort relikt uit de tijd dat de waarde van munten en bankbiljetten werd gedekt door goud, maar nu blijkt het simpele feit dat landen over een goudvoorraad beschikken vertrouwen te wekken. IJsland had bijvoorbeeld graag over een grotere goudvoorraadbeschikt dat het land deed. Zelfs per hoofd van de bevolking is de IJslandse goudreserve opvallend klein.
De ervaring van de Britten die kort voor de milleniumwisseling besloten een grote hoeveelheid goud te verkopen, strekt ook niet meteen tot navolging. Op initiatief van Gordon Brown verkocht Groot-Brittannië het goud op een moment dat het 300 dollar per ounce (31,1 gram), terwijl die nu bijna op een recordhoogt van 1000 dollar staat. Van alle westerse industrielanden heeft Groot-Brittannië nu de kleinste goudvoorraad – gemeten per hoofd van de bevolking – en dat verklaart misschien mede het waardeverlies van de pond het afgelopen jaar.

Bron(nen):   Die Welt