Nederland telt nog geen 50.000 land- en tuinbouwbedrijven, en die verdelen samen elk jaar ruim een miljard euro aan publiek geld. Het klinkt als een riante regeling voor een krimpende sector, maar wie de cijfers uitpluist ziet vooral iets anders: het meeste geld gaat naar een kleine kopgroep.
Het aantal boerenbedrijven daalt al decennia. In 2000 waren het er nog bijna 100.000, in 2024 nog 49.900 en in 2025 kwam de teller uit onder de 49.500. Ondertussen blijft de subsidiekraan open, en soms zelfs iets verder dan de kraan die alleen “boer” heet.
Een miljard, en dan nog wat
De basis van het Nederlandse landbouwgeld is het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, kortweg GLB. Uit die pot krijgt Nederland op dit moment ongeveer 960 miljoen euro per jaar, waarvan het grootste deel als hectarepremie rechtstreeks naar
boeren stroomt. Daar bovenop leggen het Rijk, de provincies en de waterschappen nog eens rond de 160 miljoen euro per jaar bij aan cofinanciering en aanvullende regelingen.
Voor 2026 staat op de begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zelfs 1,44 miljard euro gereserveerd voor landbouwsubsidies. Ruim 1,1 miljard daarvan is bedoeld voor verduurzaming en transitie, de rest voor de traditionele hectarepremies.
Nederland telt nog geen 50.000 boerenbedrijven, en die krijgen samen elk jaar meer dan een miljard euro aan publiek geld.
Optellen mag: over de hele looptijd 2023–2027 is er 4,7 miljard euro beschikbaar voor de Nederlandse agrarische sector, ongeveer 940 miljoen per jaar aan pure GLB-uitgaven, plus de nationale toevoegingen. Voor de gemiddelde belastingbetaler komt dat neer op tientallen euro’s per jaar die via Brussel en Den Haag naar de boerderij worden overgemaakt.
Waar gaat het geld heen?
De naam “boerensubsidie” wekt de suggestie van een cheque voor de melkveehouder om de hoek. De werkelijkheid is een stuk industriëler. Bij de basispremie ontvangen bedrijven in 2025 een voorlopig tarief van 158 euro per hectare, met extra bedragen voor de eerste 40 hectare en voor deelname aan de eco-regeling. Klein bedrijf met 30 koeien? Enkele duizenden euro’s. Groot akkerbouwbedrijf met honderden hectares? Ton na ton.
De grootste subsidieontvangers in Nederland zijn geen individuele boeren, maar coöperaties, natuurorganisaties en waterschappen. In 2024 stond Coöperatie Harvest House bovenaan met 50,6 miljoen euro, gevolgd door telerscoöperatie Oxin Growers met 37 miljoen en Coöperatie Growers United met 21 miljoen. Ook Waterschap Drents Overijsselse Delta streek ruim 11 miljoen euro op.
Kijken we naar losse landbouwbedrijven, dan blijft de Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder een vaste klant: in 2024 goed voor 538.000 euro. B.V. Exploitatie Reservegronden Flevoland volgde met 427.000 euro.
Vooral de grootste boeren profiteren
Milieuorganisatie Greenpeace rekende begin dit jaar voor dat 40 procent van alle Nederlandse landbouwsubsidies bij de grootste 1 procent van de ontvangers terechtkomt. Bij de top 10 procent zit al 59 procent van het geld, en de top 20 procent slokt maar liefst 74 procent van de subsidiepot op.
Anders gezegd: vier op de vijf euro’s landbouwsubsidie gaat naar één op de vijf ontvangers. Voor de vier op de vijf overige bedrijven blijft samen nog geen kwart van het geld over. Dat is geen ongelukje in de uitvoering, maar een direct gevolg van de systematiek. Wie meer grond heeft, krijgt meer hectarepremie. Wie meer omzet draait, kan meer investeringssubsidies aanvragen.
Vier op de vijf euro’s landbouwsubsidie gaat naar één op de vijf ontvangers.
Waar staat de sector nu?
Nederland telde in 2024 volgens het CBS 49.900 land- en tuinbouwbedrijven, waarvan ongeveer 60 procent veehouderij. Het aantal bedrijven daalt jaarlijks met ongeveer 1,4 procent. Van de agrarische ondernemers is 21 procent ouder dan 67 jaar, en ongeveer 10 procent jonger dan 40. De basispremie voor 2025 is voorlopig 158 euro per hectare, plus 50 euro voor de eerste 40 hectare, plus 60 tot 200 euro extra voor deelname aan de eco-regeling brons, zilver of goud.
Wat komt er straks?
De grote onzekerheid is Brussel. In het voorstel van de Europese Commissie voor het GLB 2028–2034 wordt het Nederlandse landbouwbudget teruggeschroefd van 960 miljoen naar 728 miljoen euro per jaar, een korting van bijna een kwart. Dat scenario is nog niet definitief, maar zowel boerenorganisaties als provincies bereiden zich voor op krappere jaren.
Tegelijk verschuift het accent binnen de subsidies zelf. Steeds meer geld wordt gekoppeld aan verduurzaming: eco-regelingen, agrarisch natuurbeheer, klimaatmaatregelen en de brede weersverzekering. De boer die zijn land bewerkt zoals veertig jaar geleden zal minder ontvangen. De boer die meebeweegt met de vergroening houdt zijn omzet uit Brussel op peil, of ziet die zelfs stijgen tot ruim 450 euro per hectare.
Wat blijft is de fundamentele scheefheid. Zolang subsidies worden verdeeld per hectare, blijft de grootste boer de grootste ontvanger. En zolang coöperaties en waterschappen meetellen als “landbouwontvanger”, blijft de indruk bestaan dat er per bedrijf tonnen worden overgemaakt terwijl de gemiddelde familieboer met een paar duizend euro naar huis gaat.
Meer dan een miljard euro per jaar, verdeeld over 50.000 bedrijven. Op papier klinkt dat als 20.000 euro per boer. In de praktijk is het een stuk minder eerlijk verdeeld dan dat.