Het klinkt een beetje vies, maar het is echt waar: de meeste mensen vinden hun eigen scheten eigenlijk helemaal niet zo smerig ruiken. In ieder geval kunnen we die van anderen een stuk minder goed verdragen. Daar is een evolutionaire verklaring voor.
Laten we beginnen bij de bron. In een studie in het tijdschrift Gut analyseerden onderzoekers de exacte samenstelling van winderigheid. Zestien gezonde volwassenen kregen 200 gram pintobonen en lactulose voorgeschoteld om de gasproductie op gang te helpen. Hun flatulentie werd opgevangen en chemisch ontleed.
Wat bleek? Het grootste deel bestaat uit reukloze gassen zoals stikstof, zuurstof en koolstofdioxide. De stank wordt veroorzaakt door minieme hoeveelheden zwavelhoudende stoffen. De belangrijkste boosdoener: waterstofsulfide, verantwoordelijk voor de geur van rotte eieren. Ook methaanthiol (rottende groenten) en dimethylsulfide (zoetig maar onaangenaam) spelen een rol. Hoe hoger de concentratie waterstofsulfide, hoe smeriger proefpersonen de geur vonden. Met andere woorden: objectief gezien is een scheet gewoon vies.
Toch maakt de herkomst alles uit. Onderzoek in het European Journal of Social Psychology beschrijft het zogeheten ‘source effect’: dezelfde geur wordt minder walgelijk gevonden als mensen denken dat die van henzelf is. In experimenten beoordeelden deelnemers hun eigen hypothetische lichaamsgeuren, inclusief ontlasting en zweet, als aanzienlijk minder vies dan die van een onbekende.
Psychologen als Richard Stevenson en Betty Repacholi koppelen dit aan ziektevermijding. Walging is volgens deze theorie een evolutionair afweersysteem tegen ziektekiemen. Anderen dragen onbekende bacteriën bij zich waarvoor we mogelijk minder weerstand hebben. Onze eigen microben daarentegen zijn vertrouwd voor het immuunsysteem. Het brein slaat dus minder hard alarm bij ‘eigen’ lucht dan bij die van een vreemde.
Gewenning maakt mild
Daar komt nog iets bij: het ‘mere exposure’-effect. Onderzoek laat zien dat mensen geuren prettiger vinden naarmate ze er vaker aan worden blootgesteld. Onbekende geuren worden als intenser en onaangenamer ervaren. Je eigen lichaamsgeur, dus ook die van je windjes, is extreem vertrouwd. Die van een ander is nieuw en maakt je dus alerter
Volgens psychologen Paul Rozin en April Fallon draait walging om de grens tussen ‘zelf’ en ‘niet-zelf’. Zolang lichaamsproducten ín het lichaam zitten, horen ze bij ons. Eenmaal buiten worden ze vreemd en potentieel bedreigend. Toch blijft er meer tolerantie voor eigen restproducten dan voor die van anderen. Een klassiek experiment waarbij mannen hun eigen bezwete T-shirt moesten beoordelen, liet zien dat ze hun eigen geur systematisch minder vies vonden dan die van studiegenoten.
Geurwaardering is bovendien aan te leren. Onderzoek van Rachel Herz toont aan dat een geur positiever wordt beoordeeld als die wordt gekoppeld aan een prettige ervaring. Een scheet gaat vaak samen met lichamelijke opluchting. Dat gevoel kan onbewust worden verbonden aan de bijbehorende geur. De wind van een ander daarentegen roept eerder sociale gêne of afkeer op.
Wat zegt dit over ons?
Neurowetenschappelijk onderzoek met fMRI laat zien dat vieze geuren sterke activiteit oproepen in de amygdala, het angstcentrum van het brein. Tegelijkertijd beoordeelt de orbitofrontale cortex bewust hoe erg iets is. Als die ‘weet’ dat de geur van jezelf komt, kan hij de alarmreactie temperen.
De conclusie: het idee dat je eigen scheten minder stinken is geen bewijs van slechte smaak, maar van een slim afgesteld afweersysteem. Het is een subtiele cognitieve illusie die ons beschermt tegen ziektekiemen van anderen en ons behoedt voor een permanent gevoel van walging over ons eigen lichaam.