Mijn afkeer van de kleur oranje

Als het Nederlands elftal zondag wint, zal de kleur oranje in alle windstreken geliefd zijn. Dan zal mijn wereldbeeld instorten.
Mijn zoon ging dinsdag voetbal kijken bij een lieve, kinderrijke familie. Zelf hebben ze vier – misschien wel vijf – kinderen, maar de deur staat altijd open. Nog een kind erbij? Gezellig! Ze zijn van keurige afkomst. De man doet iets in ontwikkelingshulp en internationale betrekkingen, waardoor ook een aureool van idealisme op ze afstraalt. Soms ben ik jaloers op ze, omdat ze naast alles een vanzelfsprekende huiselijkheid verspreiden die ikzelf volkomen mis.

Toen ik in de pauze van de wedstrijd binnenkwam, trof ik ze zoals ik ze nog nooit had gezien: helemaal uitgedost in het oranje. De hele familie – grootouders, broers en zusters – het was een en al oranje dat de klok sloeg. Grootvader had zelfs een oranje colbertje aan, dat je volgens mij alleen bij een echte kleermaker kunt laten maken. Verder was er een keur aan oranje broeken en shirts, terwijl oranje pruiken en hoedjes kleine sprongetjes maakten als zich tijdens de wedstrijd een spannende situatie voordeed.

Het tafereel deed mij beseffen dat ik mijn mening over de kleur oranje moet bijstellen. Het is niet omdat ik een republikein ben dat de kleur mij nooit erg sympathiek is geweest. Oranje is een beetje een harde, nare kleur. Door dat laagje oranje glazuur is het koffiebroodje dat dezer dagen bij de bakkers ligt, voor mij niet echt een lekkernij. Al dat oranje gekleurde voedsel in de schappen bezie ik trouwens met groot wantrouwen: van oranje vla, tot oranje chips en oranje Mora-kroketten. Uit vroegere ervaringen weet ik dat sinaasappelen en mandarijnen van origine oranje zijn, want anders zou ik er geen hap meer van door mijn keel krijgen.

Lees verder in de Volkskrant