Wiskundetoets voor 11-jarigen: hoe goed scoor jij?

Hieronder 5 vragen uit een wiskundetoets die aan 300.000 Britse leerlingen werd voorgelegd. De 11-jarige kinderen kregen een uur de tijd om 25 vragen te beantwoorden. De toets werd ontworpen door de UK Mathematics Trust met de bedoeling om te laten zien hoe leuk wiskunde is. Onderaan vind je de juiste antwoorden en kun je je eigen prestaties vergelijken met die van de 11-jarigen.

Vraag 1
Hoeveel is 1/25 + 0,25?

A. 0,29
B. 0,3
C. 0,35
D. 0,50
E. 0,65

Vraag 2
Op een school zitten 600 leerlingen. Er zitten 30 meisjes meer dan jongens op de school. Hoeveel meisjes zitten er op de school?

A. 270
B. 300
C. 315
D. 330
E. 345

Vraag 3

Je mag één van de drie symbolen +, -, x ergens tussen de cijfers van 2016 plaatsen om zo een nieuw getal te bekomen. Bijvoorbeeld: 20 – 16 = 4.

Hoeveel van de volgende getallen kan je op die manier bekomen? 36, 195, 207, 320.

A. 0
B. 1
C. 2
D. 3
E. 4

Vraag 4

Een vierkant wordt exact in twee gevouwen en daarna nog eens. Welke van de volgende vormen kan onmogelijk het resultaat zijn?

Vraag 5

Welke van de volgende beweringen is fout?

A. 12 is een veelvoud van 2
B. 123 is een veelvoud van 3
C. 1234 is een veelvoud van 4
D. 12345 is een veelvoud van 5
E. 123456 is een veelvoud van 6

Meer opdrachten vind je in De Morgen

Meer toetsen, maar dan in het Engels, vind je bij de UK Mathematics Trust

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Oplossingen

Vraag 1
Hoeveel is 1/25 + 0,25?

1/25 = 4/100 = 0.04.
1/25 + 0.25 = 0.04 + 0.25 = 0.29

52 procent van de kinderen antwoordde correct.

Vraag 2
Op een school zitten 600 leerlingen. Er zitten 30 meisjes meer dan jongens op de school. Hoeveel meisjes zitten er op de school?

C. 315

Stel dat er x meisjes op de school zitten, dan zitten er (x-30) jongens op de school.

x + x – 30 = 600

Dus: 2x = 630; x = 315

52 procent van de kinderen antwoordde correct.

Vraag 3
Je mag één van de drie symbolen +, -, x ergens tussen de cijfers van 2016 plaatsen om zo een nieuw getal te bekomen. Hoeveel van de volgende getallen kan je op die manier bekomen? 36, 195, 207, 320.

E. 4

20 + 16 = 36;
201 -6 = 195;
201 + 6 = 207;
20 x 16 = 320.

39 procent van de kinderen antwoordde correct.

Vraag 4

Een vierkant wordt exact in twee gevouwen en daarna nog eens. Welke van de volgende vormen kan onmogelijk het resultaat zijn?

D. Wanneer een vierkant exact in twee wordt gevouwen, dan krijg je ofwel een rechthoek ofwel een gelijkbenige driehoek. Figuur D is geen van beide.

61 procent van de kinderen antwoordde correct.

Vraag 5
Welke van de volgende beweringen is fout?

C. 1234 is een veelvoud van 4

Een getal is alleen deelbaar door 4 als de laatste twee cijfers deelbaar zijn door 4. Aangezien 34 niet deelbaar is door 4, is ook 1234 niet deelbaar door 4.

De andere opties:
12 is even dus deelbaar door 2.
De som van de cijfers van 123 is 6, wat deelbaar is door 3. 123 is dus deelbaar door 3.
Het laatste cijfer van 12345 is 5, dus 12345 is deelbaar door 5.
123456 is even en de som van de cijfers is 21, een veelvoud van 3. 123456 is dus deelbaar door 6.

78 procent van de kinderen antwoordde correct.

 

©UK Mathematics Trust

4 Reacties Doe mee met de discussie →


  1. Burgermans

    5 uit 5.

    • Dead Silence

      Me too. De rest ook. Durf te wedden dat alle minkunkels op het Binnenhof niet zover komen.

      (in antwoord op Burgermans)
  2. Yvonne van Zon

    Wellicht blond hoor, maar ik snap vraag 4 niet. Als je met vouw 1 een rechthoek maakt, kan D ook ontstaan. Zolang de lange zijde maar 2x de korte zijde is…

    • Johan

      Het antwoord bij vraag 4 is niet correct. Sowieso staat in de vraag dat het vierkant 2x gevouwen wordt, terwijl het antwoord zegt dat het vierkant maar 1x gevouwen wordt. Voorts zijn de vierkanten A, B, C en D exact proportioneel, je mag aannemen dat E dat dan ook is.

      Figuur A ontstaat wanneer je het vierkant in een rechthoek vouwt en het rechthoek weer in een vierkant.
      Figuur B ontstaat wanneer je het vierkant in een rechthoek vouwt en daarna in een smaller rechthoek.
      Figuur C ontstaat wanneer je het vierkant diagonaal vouwt in een driehoek en daarna dubbel vouwt in een driehoek,
      Figuur D ontstaat wanneer je het vierkant in een rechthoek vouwt en daarna in een driehoek.

      Om antwoord E te krijgen moet je vaker dan 2x vouwen. E is dus het antwoord op vraag 4.

      (in antwoord op Yvonne van Zon)

Reacties niet toegestaan