Waarvoor moet Oranje eigenlijk worden gehuldigd?

Hans Schnitzler is filosoof en woont en werkt in Barcelona. Hij is verbaasd in de Volkskrant
Het Nederlands voetbalelftal wordt gehuldigd. Zowel demissionair minister-president Balkenende als het staatshoofd zullen aan de voetbalheren hun eer betonen. Daarna is het volk aan de beurt om de helden hulde te bewijzen. Een grachtentocht en een huldigingsplechtigheid op het Museumplein vormen de bezegeling van… tja, van wat eigenlijk?

Zou er een trofee bestaan waar dit elftal met recht aanspraak op mag maken, dan moet het de prijs voor de meest onsportieve ploeg zijn. Er zijn twee lijstjes waar Oranje met afstand fier bovenaan prijkt: die van het aantal gemaakte overtredingen en die van het aantal gele kaarten.

De spelopvatting van het Nederlands elftal in de finale was de gewelddadige apotheose van een speelstijl die primair op intimidatie en provocatie gericht was. Daarin blonken de mannen van Van Marwijk uit, en de ontaarding in de laatste wedstrijd was het logische sluitstuk hiervan. Wat dit aangaat, heeft het elftal consistent en in opgaande lijn gepresteerd. De internationale pers komt superlatieven tekort om het grove spel van de Nederlanders te karakteriseren. Buiten Nederland spreekt men er schande over. De karatetrap van De Jong tegen Xabi Alonso was ronduit misdadig, en ook Van Bommel bewees dat hij een onverbeterlijke recidivist is. Bovendien hebben de heren met het onfatsoenlijke spel hun ambassadeursrol ernstig verloochend.

Het is misplaatst dat men deze coach en spelers een uitgebreid huldebetoon schenkt. Dat degene die ooit een normen-en waardendebat entameerde hen straks met lofprijzingen overlaadt, is nauwelijks meer ironisch te noemen. Fatsoen moet je doen. Daar heeft dit elftal zich weinig tot niets aan gelegen laten liggen. En hare majesteit zou het sieren wanneer zij majesteitelijk bedankt voor het eerbetoon. Met hun gedrag op het veld hebben deze mannen immers de koninklijke huiskleur bezoedeld. Maar zover zal het niet komen.