Hoogsensitiviteit is voor veel mensen een opluchting als verklaring voor hun tranen en overprikkeling, maar het is géén officiële diagnose en de grenzen met echte psychische stoornissen zijn allesbehalve scherp. Juist dat maakt het label tegelijk herkenbaar én riskant.
“Ik huilde zo vaak dat ik steeds dacht: dit is niet normaal.” Het is het soort zin waar sociale media vol mee staan. Onder de hashtag highly sensitive person circuleren honderdduizenden posts met lijstjes: je huilt snel, je raakt uitgeput van lawaai, je voelt spanningen feilloos aan – dus ben je hoogsensitief. Voor velen is dat een verademing: eindelijk een woord voor dat gevoel van “te veel”.
De term komt niet uit de zelfhulpsectie van Instagram, maar uit de psychologie. De Amerikaanse psycholoog Elaine Aron introduceerde midden jaren negentig het idee van de Highly Sensitive Person en schatte dat zo’n 15 tot 20 procent van de bevolking extra gevoelig is voor prikkels. Latere studies komen zelfs op 20 tot 35 procent: een flinke minderheid die
emoties, geluiden en sociale signalen intenser verwerkt dan gemiddeld. Wie zich daarin herkent, is dus niet per definitie “raar”.
Toch is
hoogsensitiviteit geen officiële psychiatrische categorie. Het staat niet in de DSM, het handboek voor psychische stoornissen, en wordt ook door Nederlandse deskundigen nadrukkelijk beschreven als een persoonlijkheidskenmerk, niet als diagnose. Dat klinkt technisch, maar het verschil is groot: een eigenschap vraagt om begrip en soms aanpassing van je leven, een stoornis om behandeling.
In de spreekkamer en online lopen die werelden echter snel door elkaar. Hoogsensitieve mensen melden zich in de ggz met klachten die ook passen bij angststoornissen, depressie, ADHD of autisme. Nederlandse psychiaters waarschuwen dat er dan makkelijk misdiagnoses ontstaan – óf omgekeerd dat iemand zichzelf geruststelt met het label HSP, terwijl er wél sprake is van een ernstige aandoening die behandeling verdient.
Tegelijk groeit de wetenschappelijke belangstelling. In een grote studie met meer dan 9.000 deelnemers bleek dat mensen met hoge sensory processing sensitivity niet alleen sneller overprikkeld raken, maar ook gevoeliger zijn voor positieve omgevingen. Wie hoogsensitief is, loopt meer risico op stress en burn-out in een kille werksfeer, maar kan juist floreren in een steunende omgeving. Het etiket kan dus helpen om beter voor jezelf te zorgen – mits het niet verandert in een keurslijf.
Critici zien in de HSP-hype ook een vorm van medicalisering van gewoon menselijk lijden. In een recent medisch-ethisch artikel wordt het “een diffuus concept met twijfelachtige wetenschappelijke onderbouwing en een onduidelijke grens met bestaande diagnoses” genoemd. Filosofen waarschuwen dat weer een nieuw label het risico vergroot dat normale kwetsbaarheid wordt omgedoopt tot bijna-ziekte.
Voor een hypersensitieve persoon in een
Libération-verhaal verandert één ding alles: het besef dat je niet “kapot” bent, maar anders bedraad. Maar precies op dat punt wordt de lijn dun. Wie elke traan en elke paniekaanval onderbrengt onder
hoogsensitiviteit, loopt het gevaar andere oorzaken – trauma, armoede, toxische relaties – te missen. En wie het label gebruikt als identiteitsmerk op sociale media, zet er misschien onbedoeld een nieuwe norm bij: als je niet meedoet, ben je kennelijk níet diep voelend.
Hoogsensitiviteit lijkt daarmee vooral een cultureel begrip dat balanceert tussen wetenschap en zelfhulp. Het verwoordt een reëel onderscheid in hoe mensen prikkels verwerken, maar het plakt daar geen heldere medische categorie op. Misschien is dat precies de kracht én de zwakte van het label: het biedt taal voor tranen die “niet normaal” leken, zolang we niet vergeten dat het woord zelf ook scherpe randen heeft.