Waarom Fransen vaker zelfmoord plegen

France Telecom is terugkerend in het nieuws omdat werknemers van het bedrijf met regelmaat zelfmoord plegen. Het is nu al 24 keer gebeurd sinds begin 2008 en de werknemers die tot zelfmoord besloten, gaven al te vaak een signaal af dat er een verband is tussen hun wanhoopsdaad en de sfeer op de werkvloer. 
Een iemand pleegde zelfmoord tijdens een vergadering, een vrouwelijke employee sprong vanaf 4-hoog uit het raam en schreef in haar afscheidsmail dat ze de nieuwe reorganisatie niet aankon. 
Nou lijkt France Telecom – een bedrijf dat de moeizame stap maakt van een staatsmonopolist naar de vrije markt – een bijzonder voorbeeld, en The Economist vraagt zich af hoe dat toch zit met al die zelfmoorden in Frankrijk. Want bijna nergens zijn de cijfers van zelfmoordenaars hoger (14.6 per 100.000 mensen), zie de grafiek. 
Frankrijk ziet zichzelf als de uitvinder van de joie de vivre en toch is neerslachtigheid volksziekte nummer 1. Een recent onderzoek toonde aan dat twee/vijfde deel van de bevolking zichzelf depressief noemt. De hoeveelheid medicijnen die hierbij worden gebruikt, is bijzonder groot. 
Gaan veel Fransen gebukt onder grote existentiele angsten? Terwijl het leven er toch echt bijzonder comfortabel kan zijn? Met een uitstekende gezondheidszorg, korte werkweken en lange vakanties, en niet te vergeten: de dagelijkse uitgebreide lunch die de werkdag op een aangename manier in tweeen hakt . 
Maar intussen, zo waarschuwt The Economist. Hortend en stotend – en met grote tegenzin – doet Frankrijk mee aan de globalisering. Banen voor het leven worden niet langer weggegeven, de onderlinge competitie neemt toe en zelfs staatsbedrijven worden zakelijker en bieden niet langer een jarenlange beschutting aan werkschuwe ambtenaren.
In het land van het zoete leven moet de massa onder ogen zien dat de werkcultuur van over de grenzen binnendringt en dat het gedaan is met al de mooie voorzieningen waar nooit een eind aan leek te komen. 
En dat geeft reusachtig veel stress en onzekerheid.

Bron(nen):   The Economist