Rijke en arme voetballers

FIFA-president Sepp Blatter vraagt zich af hoe het gat tussen rijke en arme voetballanden kan worden gedicht. 
Tot op heden is het zo dat de beste voetballers naar Europa worden gezogen vanwege de royale gages die hier gangbaar zijn en dat arme landen met tweederangsspelers blijven zitten. 
De competities in Brazilië, Argentinië en Uruguay – om enkele voorbeelden te noemen – zijn een soort hofleveranciers aan rijke clubs en zien hun talentvolste spelers steevast vertrekken naar de rijke euro-zone. Alleen al dit jaar kochten twee Spaanse clubs, Real Madrid en FC Barcelona, voor 460 miljoen dollar aan nieuwe spelers; bij dit hoge bedrag is de 120 miljoen inbegrepen die Real neertelde voor de altijd frisgewassen Cristiano Ronaldo. 
Zou Blatter werkelijk waker liggen van deze grote verschillen? 
Hij is al 11 jaar FIFA-boss en staat aan de wieg van ieder besluit dat het voetbalcircus nóg commerciëler maakt. Wat merchandising en voetbalrechten betreft, is hij echt de allereerste om alle mogelijke inkomsten naar zich toe te harken. Laten we niet vergeten  dat hij aan het einde is van zijn derde termijn als FIFA-chef en dat herverkiezing over een jaar bijzonder welkom is; wie weet moet hij vele arme landen te vriend houden.
Want er zijn tenminste twee kanttekeningen bij zijn opmerking te maken. 
Als een rijke club een speler koopt van een arme club, wordt de arme club daar beter van; in die zin profiteert ‘iedereen’ in beginsel van een handvol Europese clubs die ongelooflijke bedragen neertellen voor getalenteerde spelers.
Verder is het niet zo dat rijke landen de beste spelers kunnen kopen; dat is slechts voorbehouden aan grote Europese landen; landen waar veel toeschouwers voor veel inkomsten zorgen en waar een grote markt is voor forse tv-rechten en voor merchandising, omdat in die landen (Italië, Spanje, Groot-Brittannië en Duitsland) nou eenmaal veel mensen wonen. 
Er zijn rijke landen (Zwitserland, Nederland, Luxemburg, Zweden) die tot de meest welvarende landen ter wereld behoren, maar waar enkel derde- of zelfs vierderangs voetballers zijn te bewonderen. Omdat ze zo klein zijn. 
Eigenlijk zit de voetbalwereld heel vernuftig in elkaar; rijke clubs worden steeds rijker en arme clubs profiteren daar van mee. Verstoring van het bestaande mechanisme belooft weinig goeds – en is meer gebaseerd op ideologische denkbeelden dan op de realiteit.

Bron(nen):   The Wall Street Journal