Het stulpje van de familie van Jezus

Jezus bracht zijn jongensjaren door in een afgelegen gehucht van nog geen vijftig huizen, waar vooral onbemiddelde joden woonden.
Israëlische archeologen hebben in Nazareth de resten opgegraven van bewoning uit het begin van onze jaartelling. Uit de restanten valt op te maken dat de nederzetting in Galilea waar volgens het Nieuwe Testament Jezus opgroeide, in die tijd een afgelegen gehucht was van amper 160are, waarop hooguit vijftig huizen stonden.

‘Er woonden duidelijk joden van bescheiden komaf’, zegt archeologe Yardena Alexandre, die de opgraving leidde. Een huis dat als eerste werd blootgelegd, was behalve uit steen opgetrokken uit klei en kalk.

Niet duidelijk is hoe groot het blootgelegde huis was. Voorlopig is 80m² ervan opgegraven, maar wellicht was het groter en bood het onderdak aan meerdere gezinnen. De archeologen stootten ook op de gecamoufleerde ingang van een grot, die de Nazareners waarschijnlijk gebruikten om te schuilen voor het geweld dat geregeld oplaaide tussen joodse rebellen en de Romeinse bezetter. De grot bood ruimte aan ongeveer zes mensen.

Bron(nen):   De Standaard