Slimme leerlingen lopen achter in Nederland

De Nederlandse onderwijsprestaties zijn de afgelopen 10 jaar achteruit gegaan, zowel ten opzichte van andere landen als in absolute zin. In landen als Duitsland, Polen, Italië, de VS en Zwitserland zijn de onderwijsprestaties in diezelfde periode juist verbeterd. De teruggang is in Nederland het sterkst bij lezen in het basisonderwijs en bij wiskunde in het voortgezet onderwijs. De daling bij wiskunde kost Nederland naar verwachting op de lange termijn structureel enkele procenten van het bruto binnenlands product.

De resultaten van de meest getalenteerde leerlingen lopen het verste achter, vooral in het basisonderwijs. Deze achterstand wordt enigszins kleiner in het voortgezet onderwijs. Een van de verklaringen hiervoor is dat de vroege verdeling van leerlingen over verschillende schooltypen positief uitpakt voor de slimmere leerlingen. Toch behoren de beste Nederlandse leerlingen in geen enkel onderzocht vak tot de internationale top-10. Het niveau van de zwakste Nederlandse leerlingen is niet wezenlijk veranderd. In Engeland is het precies andersom: de zwak presterende leerlingen doen het daar slecht, maar de beste leerlingen behoren tot de wereldtop.

Scherpe keuzes zijn noodzakelijk om deze dalende trends te keren. Meer geld is niet per se de oplossing. In het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs zijn de uitgaven per leerling het afgelopen decennium scherp gestegen, terwijl de prestaties dalen. Japan en Finland besteden per leerling ongeveer even veel als Nederland, maar presteren gemiddeld beter. Korea geeft per leerling zelfs 1/5 minder uit dan Nederland, maar presteert bij o.a. wiskunde in de wereldtop. Het ligt er maar aan waar je het geld aan uitgeeft. Het Nederlandse onderwijssysteem zet sterk in op het terugdringen van onderwijsachterstanden. Dit betekent meer geld voor scholen met veel leerlingen van lagere sociaal-economische afkomst en voor de ondersteuning van zorgleerlingen. Voor kinderen van laagopgeleide ouders zijn in Nederland bv. meer dan 2 keer zo veel middelen beschikbaar.

De kwaliteit van leraren is ook cruciaal voor de leerprestaties van leerlingen. Deze staat in Nederland onder druk door een toename van onbevoegde docenten, lagere kwaliteit van de instroom in de lerarenopleidingen en voorspelde lerarentekorten.

Een uitbreiding van het aantal lesuren voor lezen, wiskunde en natuurwetenschappen is dringend nodig. Van alle OESO-landen besteedt het Nederlandse basisonderwijs de minste tijd aan natuurwetenschappen. Het gaat om slechts 33 uur per jaar, de helft van het OESO-gemiddelde. Daarbij speelt waarschijnlijk mee dat natuurwetenschappen geen (verplicht) onderdeel uitmaakt van de Cito eindtoets. Scholen worden daarom niet geprikkeld om hier veel aandacht aan te besteden. De vraag is natuurlijk: leid je kinderen op voor de toekomst of voor de Cito-toets?

Bron(nen):   CPB