De bokswereld breidt zich uit, in China

Bob Arum praat in The New York Times over de toekomst van het boksen. Arum is 81 en werkte gedurende meer dan 60 jaar met verschillende generaties boksers, van Mohammad Ali tot Manny Pacquiao. Hij zag zijn sport veranderen van nationale trots tot ondergeschoven kindje – op sterven na dood in de VS – maar nu wordt het boksen steeds meer een mondiale aangelegenheid.

‘Kijk naar de toekomst en je zult zien dat de Amerikaanse markt op de tweede plaats zal eindigen. De mogelijkheden op de Aziatische markt zijn veel groter’. Dat voorspelde Arum al geruime tijd: in China en Singapore zou het gebeuren – en misschien zou het zich verder in verspreiden, bv. naar de Filipijnen. Nu is het zover en mocht Arum het zelf meemaken in Macau, dé Chinese gok-enclave.

China, het land dat het boksen ooit verbood, omdat het te westers en te gewelddadig was, is om. Gestimuleerd door de hoge winst op het gokken en de rijke klanten die naar het Venetiaanse Macau hotel en casino gelokt worden, kwam de overheid met een gunstiger belastingtarief.

Kaartjes voor het casino waren in een mum van tijd uitverkocht en naar schatting 200 tot 300 miljoen mensen zagen het evenement op tv. Volgens Arum is Pacquiao helemaal klaar voor de volgende wedstrijd, de eerste sinds Juan Manuel Marquez hem in december, zowel in Singapore als in Macau, versloeg. Arum hoopt dat de wedstrijd $3 tot $5 pay-per-view opbrengt in China en het gebruikelijke tarief (ongeveer $60) in de VS. Maar gezien het feit dat China een bevolking heeft van meer dan 1,3 miljard er steeds meer belangstelling is voor de westerse cultuur – inclusief de sport – en hun eigen traditie op het gebied van vechtsport, valt hier het nodige te halen. Het casino zag zijn bruto omzet met 35 tot 40% stijgen in het weekend dat de eerste wedstrijd werd gehouden. Bovendien kost de organisatie van een dergelijk evenement in de VS het dubbele.

Boksen heeft het geld altijd gevolgd. Op dit moment leidt het geldspoor rechtstreeks naar Macau. ‘Volg het geld’, zegt Arum. Hij lacht. Maar hij meent het.

Bron(nen):   The New York Times