Moet de EU nog wel blij zijn met Duits leiderschap?

Het is al lang niet meer de vraag óf Duitsland aan de economische touwtjes trekt in Europa. Het Duitse ‘Wirtschaftwunder’ is al jarenlang de economische motor in de EU, en de stem van Angla Merkel is in de afgelopen crises binnen de Eurozone steeds van doorslaggevend belang geweest. Inmiddels kunnen we ons wel de vraag stellen of de Duitse beslissingen in crisistijd wel de juiste zijn.
Vorige maand stelde Merkel een wijziging in de EU verdragen voor dat zou zorgen dat private investeerders en nationale banken voor een aanzienlijk deel zelf verantwoordelijk zijn wanneer de overheid een land te hulp moet komen. Het directe effect was een verlamming van de obligatiemarkten waardoor de Ierse banken met torenhoge schulden in de problemen kwamen. Jean Claude Trichet, de president van de Europese Centrale Bank had dit naar verluid voorzien en gewaarschuwde haar haar zin niet te hard door te drukken. 
Merkel koos voor de strategie die in eigen land het beste zou vallen: de schuldenlast neerleggen bij banken en investeerders, in plaats van bij haar eigen belastingbetalers.
De Duitse aanpak is gericht op consolidatie, op behouden wat we hebben, in plaats van op toekomstige groei. De harde maatregelen die Duitsland oplegt aan landen met problemen lijken die landen eerder te wurgen dan vooruit te helpen. Door banken meer zelf voor de kosten op te laten draaien – een aanpak die uit electoraal oogpunt logisch is – zullen ze terughoudender worden in het opkopen van bijvoorbeeld staatsobligaties, waardoor rentes stijgen en landen als Italië ernstig gedestabiliseerd kunnen raken.
Duitsland wil niet opdraaien voor de kosten van de Europese crisis. Merkel’s optreden tegen de zwakke landen is ‘medogenloos’, zegt ook een anonieme hoge Europese ambtenaar. De Duitse aanpak duwt de zwakke landen juist verder de afgrond in, waardoor er voorlopig geen eind in zicht komt. 

Bron(nen):   The New York Times