De VS grepen sinds 1945 in in vele tientallen landen. Die landen werden daar zelden beter van

Opinie
zaterdag, 28 februari 2026 om 12:14
bijgewerkt om zaterdag, 28 februari 2026 om 12:26
gandr-collage (1)
Sinds 1945 hebben de Verenigde Staten zich in tientallen landen gemengd – openlijk met mariniers en bommenwerpers, of stilletjes via CIA‑operaties, sancties en verkiezingsmanipulatie. Steeds terugkerende belofte: vrijheid, democratie, stabiliteit. Het resultaat is vaak het tegenovergestelde.
De logica is bekend: vijandige leiders moesten weg, communisme of later islamisme moest worden ingedamd, grondstoffen en zeeroutes moesten veilig blijven, bondgenoten gerustgesteld. Maar achter de taal van “vrijheid” schuilt vooral geopolitiek eigenbelang – en een lange erfenis van staatsgrepen, burgeroorlogen en autoritaire regimes.

Enkele kernvoorbeelden

  • Iran (1953) – CIA‑coup tegen de gekozen premier Mossadegh, herstel van de sjah als autoritaire heerser; korte termijn: pro‑Amerikaans regime, lange termijn: diepe anti‑Amerikaanse ressentimenten en de islamitische revolutie van 1979.
  • Guatemala (1954) – omverwerping van de hervormingsgezinde Árbenz‑regering, steun aan militair gezag; gevolg: decennia van autoritaire regimes en een burgeroorlog van 36 jaar met massaal geweld tegen de bevolking.
  • Congo (1960) – betrokkenheid bij de afzetting en moord op premier Lumumba en steun aan Mobutu; resultaat: langdurige dictatuur, corruptie en herhaalde oorlogen.
  • Chili (1970–1973) – geheime destabilisatiecampagnes en steun aan de coup van Pinochet; uitkomst: langjarige militaire dictatuur, zware mensenrechtenschendingen, maar ook neoliberale hervormingen die Chili economisch integreerden in de Amerikaanse invloedssfeer.
  • Vietnam (1950s–1973) – escalatie van een beperkte adviesmissie naar een volledige oorlog; resultaat: Amerikaanse nederlaag, miljoenen doden in Indochina, traumatische impact op de Amerikaanse samenleving.
  • Afghanistan (1979–heden) – eerst steun aan moedjahedien tegen de Sovjets, daarna invasie (2001) en state‑building; netto-effect: val van de Taliban in 2001, maar na twintig jaar oorlog keerden zij in 2021 terug aan de macht, terwijl de staat zwak bleef.
  • Irak (1991, 2003) – 1991: bevrijding van Koeweit, sanctieregime; 2003: regime change tegen Saddam; gevolg: omverwerping van het Baath‑regime, maar ook burgeroorlog, sectarisch geweld, opkomst van IS en blijvende fragiliteit van de Iraakse staat.

Korte opsomming per land (selectie sinds 1945)

Europa & Midden‑Oosten
  • Griekenland (1947‑49): steun aan regering in burgeroorlog tegen communistische rebellen, consolidatie van een Westers georiënteerde staat.
  • Italië (late jaren 40–50): geheime beïnvloeding van verkiezingen om communisten buiten de regering te houden, bijdrage aan stabiel pro‑NAVO‑beleid.
  • Iran (1953): coup, sjah, later revolutie.
  • Libanon (1958, 1982–84): korte interventies om een pro‑Westerse regering te stutten; geen duurzame stabiliteit, burgeroorlog ging door.
  • Irak (1991, 1998, 2003–): van luchtcampagnes en sancties tot bezetting en regime change; leidde tot machtsvacuüm en regionale spanningen.
  • Syrië (1949 coupsteun, sinds 2011 indirecte steun aan rebellen): herhaalde pogingen om regimes te beïnvloeden; geen pro‑Amerikaanse democratie, maar langdurige oorlog en de facto opdeling.
Latijns‑Amerika & Cariben
  • Guatemala (1954): coup, burgeroorlog, massaal geweld.
  • Cuba (1961 Bay of Pigs, sabotagecampagnes, embargo): mislukte invasie, consolidatie van Castro’s regime; embargo verzwakte de economie, maar niet het regime.
  • Dominicaanse Republiek (1965): invasie om een linkse opstand te voorkomen; resulteerde in een autoritaire maar pro‑Amerikaanse regering.
  • Brazilië (1964): steun aan militaire coup; uitkomst: twee decennia dictatuur met onderdrukking, later geleidelijke terugkeer naar democratie.
  • Chili (1970–73): verkiezingsinmenging en coup tegen Allende, Pinochet‑dictatuur.
  • Nicaragua (1980s): steun aan de contra’s tegen de Sandinistische regering; bloedige burgeroorlog, economische verwoesting, geen stabiele pro‑Amerikaanse democratie.
  • Grenada (1983): korte invasie, omverwerping van een linkse regering; installatie van pro‑Amerikaanse leiders, relatieve stabiliteit maar blijvende afhankelijkheid.
  • Panama (1989): invasie om Noriega te verwijderen; snelle regime change, maar blijvende Amerikaanse invloed.
  • Haïti (herhaalde interventies, o.a. 1994, 2004): kortstondig herstel van gekozen leiders, maar aanhoudende politieke en economische instabiliteit.
Afrika
  • Congo (1960–): rol bij de afzetting van Lumumba, steun aan Mobutu; decennia dictatuur en oorlog.
  • Angola (1970s–80s): steun aan UNITA‑rebellen tegen een door de Sovjet‑Unie gesteunde regering; verlenging van de burgeroorlog.
  • Libië (1986 bombardementen, 2011 luchtcampagne): 2011: val van Gaddafi, maar ook staatsinstorting, milities en burgeroorlog.
  • Somalië (1992–94, daarna drone‑operaties): mislukte peacekeeping/interventie, terugtrekking; land bleef gefragmenteerd, met doorlopende operaties tegen jihadisten.
Azië en de Pacific
  • China (late jaren 40): steun aan nationalisten tegen communisten; mislukte poging, Volksrepubliek uitgeroepen in 1949.
  • Korea (1950–53): oorlog om Zuid‑Korea te behouden; eindigde in patstelling, twee Korea’s en permanente spanningen.
  • Vietnam, Laos, Cambodja (1950s–1975): brede oorlog in Indochina; Amerikaanse nederlaag, verwoesting van de regio, vluchtelingenstromen.
  • Indonesië (1958 steun aan rebellen, 1965 informatie en steun rond anticommunistische zuiveringen): consolidatie van Soeharto’s autoritaire regime, honderdduizenden doden.
  • Afghanistan (1979 wapens aan moedjahedien, vanaf 2001 invasie): Sovjet‑nederlaag, maar daarna langdurige instabiliteit en terugkeer van de Taliban.

Wat het heeft opgeleverd

Kijk je door deze casussen heen, dan zie je terugkerende patronen. Op de korte termijn krijgen de VS vaak wat ze willen: een onwelgevallige leider verdwijnt, een regering draait de economische koers, een strategische basis blijft in Amerikaanse handen. Op de lange termijn blijven landen achter met verwoeste instituties, gewapende milities en een bevolking die Washington vooral associeert met bombardementen en coups.
Veel interventies eindigen in autoritarisme in plaats van stabiele democratie. Regime change blijkt makkelijker dan state‑building; het is eenvoudiger een regering omver te helpen dan een geloofwaardige rechtsstaat op te bouwen. En telkens weer duikt het boemerangeffect op: radicalisering, anti‑Amerikanisme en nieuwe veiligheidsdreigingen – van de Iraanse revolutie tot Al‑Qaida en IS.
De zelfverklaarde wereldwijde politieagent laat zo een spoor van puin achter. Niet alleen in verwoeste steden en massagraven, maar ook in het vertrouwen in het idee dat democratie iets is wat je met bommen en geheime operaties kunt exporteren.
Wil je dat ik hier een kort kaderstukje bij schrijf met cijfers (aantal interventies, aantal oorlogen, Koude Oorlog vs. na 1991) zodat je blog ook een duidelijk statistisch blok heeft?
loading

Loading