Waarom besteden Chinezen zoveel van hun inkomen aan eten?

Voedsel & Koken
zaterdag, 28 februari 2026 om 12:18
shutterstock_2542537363
Chinese huishoudens geven een opvallend groot deel van hun budget uit aan eten, maar dat is minder een ‘culinaire obsessie’ dan een spiegel van hun welvaartsniveau én veranderende levensstijl.

Hoeveel geven Chinezen uit aan voedsel?

Volgens een recente herziening van de Chinese consumentenprijsindex ging in 2025 zo’n 17,2 procent van de consumptieve bestedingen naar voedsel voor thuisgebruik, exclusief uit eten, alcohol en tabak. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten is dat aandeel minder dan 8 procent. Neem je de bredere Engel‑coëfficiënt van China – voedsel, alcohol, tabak én uit eten – dan kom je uit op 29,3 procent van de totale consumptie in 2025. Daarmee ligt China beduidend hoger dan rijke landen, maar duidelijk lager dan decennia geleden, toen arme Chinese gezinnen soms nog twee derde van hun budget aan eten kwijt waren.
Eten laat zien hoe goed je het hebt

Dat Chinezen zoveel aan voedsel uitgeven, lijkt op het eerste gezicht een luxe-keuze, maar economen zien er vooral een harde indicator in van hun materiële positie. De beroemde Engel‑wet stelt dat naarmate inkomens stijgen, het aandeel van voedsel in het huishoudbudget daalt; omgekeerd wijst een hoog voedingsaandeel op (relatief) bescheiden inkomens. Dat maakt de Chinese liefde voor eten tegelijk een cultureel fenomeen én een statistische thermometer van de economie

Engel‑wet: oude theorie, nieuwe Chinese test

De Duitse econoom Ernst Engel ontdekte al in de 19de eeuw dat het voedsel‑aandeel in het budget daalt zodra inkomens stijgen. Dat patroon is in de 21ste eeuw nog steeds zichtbaar in China: studies over alle 31 provincies tonen dat provincies met hogere inkomens systematisch een lager aandeel voedsel in de uitgaven kennen. Onderzoekers gebruiken de Engel‑coëfficiënt zelfs om te controleren of officiële Chinese inkomenscijfers geloofwaardig zijn; als het voedsel‑aandeel niet daalt terwijl de statistieken forse groei melden, gaat er vermoedelijk iets mis.

Uit eten als vertekende factor

De populariteit van restaurants, straatkeukens en snackbars maakt het beeld complexer. Wie buiten de deur eet, betaalt niet alleen voor rijst en groenten, maar ook voor arbeid, huur en ambiance; economen schatten dat Chinese streetfood tot circa 30 procent duurder is dan dezelfde maaltijd thuis, terwijl westerse fastfoodketens nog veel hoger uitkomen. Als je al die diensten onder “voedsel” boekt, lijkt het alsof Chinezen extreem veel aan eten uitgeven en de Engel‑wet niet meer opgaat. Maar rekent men restaurants apart, dan blijkt het puur voedsel‑aandeel in China de afgelopen jaren gewoon verder te zijn gedaald, wat past bij een land dat – ondanks groeivertraging – nog steeds gestaag rijker wordt.

Welvaart, ongelijkheid en cultuur

Achter de macro‑cijfers schuilt een scherpe tweedeling: stedelijke middenklassers schuiven massaal aan voor hotpot, bubble tea en fusionkeukens, terwijl arme plattelandsgezinnen nog steeds een relatief groot deel van hun inkomen kwijt zijn aan basisvoedsel. Dat maakt de Engel‑coëfficiënt ook een indicator van ongelijkheid: stijgende voedselprijzen raken vooral de armste groepen, die veel minder profiteren van inkomensgroei. Tegelijk is eten in China een sociaal bindmiddel en statussymbool – van uitgebreide nieuwjaarsmaaltijden tot food‑tourisme in steden – waardoor een groot deel van het groeiende bestedingsruimte juist in de eetcultuur terechtkomt.
loading

Loading