In veel Nederlandse huishoudens ligt goud. Niet in baren, maar in de vorm van een ketting die niet meer past bij wat je draagt, een trouwring van een grootouder, of een doosje met oorbellen waarvan de partner allang kwijt is. Bij elkaar gaat het om aanzienlijke waarde die letterlijk in een la ligt te verstoffen.
Wie er iets mee wil, loopt vrijwel meteen tegen dezelfde vraag aan: hoeveel goud zit er nu eigenlijk in? Het antwoord staat er in de meeste gevallen gewoon op.
De cijfers in het stempel
Bijna elk gouden sieraad heeft een klein stempel, meestal aan de binnenkant van een ring of op het sluitplaatje van een ketting. Dat getal geeft aan hoeveel duizendste delen puur goud er in het legering zit.
De gangbare aanduidingen zijn 333 voor 8 karaat, wat neerkomt op 33,3 procent zuiver goud, 585 voor 14 karaat oftewel 58,5 procent, en 750 voor 18 karaat, goed voor 75 procent. Daarboven kom je nog 833, 900 en 916 tegen, en 999 staat voor 24 karaat: bijna volledig zuiver.
Sieraden zijn zelden 24 karaat, en dat is geen bezuiniging maar natuurkunde. Puur goud is zacht. Een ring van 999 zou binnen een paar maanden vervormen en krassen oplopen. Door er koper, zilver of nikkel bij te mengen wordt het metaal hard genoeg om dagelijks te dragen, en tegelijk verandert de kleur: meer koper geeft roodgoud, meer zilver of palladium geeft witgoud.
Waarom gewicht en gehalte samen tellen
Een dikke, zware ketting van 14 karaat kan meer goud bevatten dan een fijn kettinkje van 18 karaat. Bij een taxatie draait het dan ook om twee dingen tegelijk: het gewicht van het sieraad en het gehalte van de legering. Pas als je die twee combineert, weet je hoeveel puur goud er daadwerkelijk in zit.
Dat verklaart ook waarom mensen soms teleurgesteld zijn over een taxatie. De emotionele waarde en de winkelwaarde van een sieraad zitten grotendeels in het ontwerp, het merk en het vakwerk. Voor de edelmetaalwaarde telt alleen wat er aan goud in verwerkt is.
Let ook op wat er níet meetelt. Bij verguld sieraad zit er een dun laagje goud op een andere metaalkern, vaak herkenbaar aan een aanduiding als GP of gold plated. Dat is iets wezenlijk anders dan massief goud, hoe identiek het er ook uitziet.
Van la naar taxatie
Wie wil weten waar hij aan toe is, kan de zaak op twee manieren aanpakken. Handelaren als
Goudonline hebben vestigingen verspreid over het land waar je edelmetaal ter plekke laat wegen en beoordelen, en er zijn taxatiepakketten waarmee je je sieraden verzekerd opstuurt en per mail een bod terugkrijgt.
In beide gevallen is het verstandig om vooraf zelf een beeld te vormen. Zoek de stempels op, weeg de stukken op een keukenweegschaal die tienden van grammen aangeeft, en houd de dagkoers van goud ernaast. Je komt dan niet op de cent uit, maar je weet wel of een bod in de buurt komt.
Een stempel is trouwens geen absolute garantie. Oude sieraden uit het buitenland dragen soms afwijkende aanduidingen, en heel af en toe klopt een stempel simpelweg niet. Daarom testen taxateurs het gehalte alsnog, meestal met een zuurtest of met een röntgenapparaat dat de samenstelling meet zonder het sieraad te beschadigen. Vraag gerust welke methode gebruikt wordt.
Vraag ook altijd hoe een bod is opgebouwd. Een taxateur die kan uitleggen welk gewicht en welk gehalte hij hanteert, geeft je iets om mee te vergelijken. Een enkel bedrag zonder onderbouwing niet.
Haast is zelden nodig
De goudprijs beweegt dagelijks, en die beweging is de afgelopen jaren flink geweest. Dat maakt het verleidelijk om snel te handelen, maar goud in een la verliest niets zolang het daar ligt. Sieraden met een verhaal erachter kun je bovendien maar één keer wegdoen.
Het loont dus om eerst te sorteren: wat is echt goud, wat is verguld, wat wil je hoe dan ook houden. Wat daarna overblijft, kun je met een gerust hart laten taxeren.