De Amerikaanse ambassadeur in België, Bill White, gedraagt zich als een
mini-Trump: luidruchtig, grensoverschrijdend en overtuigd van zijn eigen gelijk. Met zijn aanval op het Belgische gerecht en de gezondheidsminister heeft hij in één klap zowel de Wetstraat als de diplomatieke wereld tegen zich in het harnas gejaagd.
White noemde het Belgische onderzoek naar drie Joodse besnijders “belachelijk” en “antisemitisch” en eiste via sociale media dat de regering de zaak zou laten vallen en de wet zou aanpassen. Daarmee zette hij niet alleen druk op het gerecht, maar ook openlijk een Belgische minister in de beklaagdenbank – iets wat ambassadeurs volgens de diplomatieke mores juist moeten vermijden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken riep hem prompt op het matje en herinnerde hem aan de spelregels van de Weense Conventie: geen inmenging in de binnenlandse politiek, geen persoonlijke aanvallen.
Wie White van dichtbij zag, is niet verbaasd. Hij cultiveert zijn rol als flamboyante dealmaker: een zakenman die opschept o
ver een huwelijksfeest met 700 gasten en Aretha Franklin op het podium, die schermt met zijn directe lijn naar
Trump en diens entourage, en die zelf graag vertelt hoe hij van Hillary-fundraiser evolueerde tot trouwe MAGA-soldaat. Belgische politici omschrijven hem als een opportunist voor wie alles transactioneel is: Amerika wil iets regelen voor “zijn” Joodse gemeenschap, dus hoort België dat gewoon te fixen.
Dat verklaart ook zijn toon. White presenteert zijn interventie als morele kruistocht tegen antisemitisme en beroept zich op godsdienstvrijheid, terwijl België vooral wijst op medische veiligheid en de onafhankelijkheid van het gerecht. Juridisch ligt het bovendien helder: rituele besnijdenis mag, maar alleen binnen het kader van de gezondheidswetgeving en door bevoegd medisch personeel. De vraag is dus minder of White een punt heeft, en meer of een ambassadeur überhaupt zo openlijk een lopend strafonderzoek mag proberen te torpederen.
In dat spanningsveld wordt White interessant als symptoom. Zijn stijl – agressieve tweets, publiekelijke vernedering van een minister, framing van een rechtszaak als bewijs van “Europese decadentie” – past naadloos in de Trumpiaanse diplomatie, waarin ambassadeurs verlengstukken zijn van binnenlandse cultuurstrijd.
Voor
België is dit een test: hoe ver laat je een bevriende grootmacht gaan als die via zijn vertegenwoordiger de eigen rechtsstaat in twijfel trekt?