Steeds minder Nederlanders lijden aan modeziekten, zoals chronische whiplash en RSI

Nederlanders lijden steeds minder aan modeziektes, volgens gynaecoloog Cees Renckens. Aandoeningen als chronische whiplash en RSI zijn op hun retour. ‘Maar sommige modeziektes, zoals chronische vermoeidheid, blijven hardnekkig aanwezig en er komen ook steeds nieuwe ziektes bij’. Renckens neemt vandaag afscheid als voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Hij doet dit tijdens een symposium over modeziektes in Amsterdam.

In zijn proefschrift uit 2004 somde Renckens een hele trits modekwalen op, waaronder bekkeninstabiliteit, postnatale depressie, fibromyalgie en het premenstrueel syndroom. De meesten raakten uit beeld, maar er hebben zich ook 2 nieuwe aangediend. Chronische Lyme na een tekenbeet neemt toe. De patiënt krijgt antibiotica. Dat kost veel geld en het werkt niet. De tweede nieuwkomer is ‘elektrosensitiviteit’. Slachtoffers melden dat ze door straling uit draadloze elektrische apparaten, zoals mobieltjes, allerlei klachten krijgen: van concentratieproblemen en vermoeidheid tot overmatig zweten. Maar met straling heeft dat niets te maken. Ze hebben precies dezelfde klachten als het gewraakte apparaat – zonder dat ze het weten – uit staat.

Het heeft iets tragisch, vindt Renckens. ‘De klachten zijn vaak heel indrukwekkend. Mensen lijden echt. En als je ze hun diagnose ontneemt, worden ze woedend. Het heeft daarom weinig zin om met zo iemand in discussie te gaan. Je bent op dat moment al te laat. Je moet voorkómen dat iemand zo’n etiket krijgt opgeplakt’.

Modeziektes zijn vrij eenvoudig te herkennen. Ze komen ineens opzetten en zijn vaak gebonden aan bepaalde regio’s of landen. Vooral jonge vrouwen behoren tot de slachtoffers en meestal gaat het om moeilijk meetbare klachten, zoals moeheid en lusteloosheid. Lichamelijk is er over het algemeen niets te vinden. En áls er al iets is, staat dat in geen verhouding tot de ernst van de klachten. Na een tijdje verslapt de aandacht vanzelf, tot er weer iets nieuws komt.

Bron(nen):   Trouw