Box 3 blijft nog jaren staan — dit kost of scheelt jouw spaargeld écht

Economie
woensdag, 09 september 2026 om 6:54
shutterstock_2760538379
Het nieuwe box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement zou al in 2025 draaien. Toen 2026. Toen 2027. Nu staat 1 januari 2028 op de planning, en zelfs die datum piept en kraakt: de Eerste Kamer heeft de stemming uitgesteld tot na een novelle die pas op Prinsjesdag 2026 naar de Tweede Kamer gaat, en behandelt die op zijn vroegst in januari 2027.
Voor jou als spaarder of belegger betekent dat één ding: het huidige stelsel met forfaitaire rendementen en de tegenbewijsregeling blijft nog minstens twee volledige belastingjaren de norm. Wie nu snapt hoe die rekenmachine werkt, houdt geld in eigen zak.
Zolang het werkelijke rendement niet automatisch wordt belast, is de aangifte een puzzel die je twee keer kunt maken.

Wat er in 2026 en 2027 op je bordje ligt

Voor het belastingjaar 2026 rekent de Belastingdienst met drie forfaitaire percentages. Op bank- en spaartegoeden geldt voorlopig 1,28%. Op overige bezittingen — beleggingen, aandelen, obligaties, vorderingen, tweede woning — geldt 6,00%, en dat percentage is al definitief. Op schulden geldt voorlopig 2,70%. De percentages voor spaargeld en schulden worden pas begin 2027 definitief vastgesteld.
Boven het heffingsvrije vermogen van € 59.357 per persoon (fiscale partners samen € 118.714) betaal je 36% belasting over het berekende rendement. Voor 2027 blijft ditzelfde stelsel gelden. Pas vanaf 2028, als de wet er komt, verandert dat.

Waarom dit rammelt bij beleggers

Iemand met € 100.000 aan aandelen boven de vrijstelling ziet de fiscus rekenen met een fictief rendement van € 6.000. Bij een tarief van 36% is dat € 2.160 aan belasting. Levert die portefeuille dat jaar € 2.000 op — matig beursjaar — dan is de belasting hoger dan de opbrengst. Bij spaargeld gaat het meestal andersom: de spaarrente op een makkelijk opzegbare rekening ligt vaak onder de 1,28% forfait, langlopende deposito's er juist boven.
Precies voor die scheve gevallen bestaat de tegenbewijsregeling. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire, betaalt belasting over dat werkelijke rendement. Dat gebeurt via het formulier Opgaaf werkelijk rendement in Mijn Belastingdienst, dat voor de jaren 2020 tot en met 2024 klaarstaat. Over 2025 geef je het werkelijke rendement door in de reguliere aangifte. Eén addertje: ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen tellen mee. Papieren winst op aandelen die je nog niet verkocht hebt, kan de tegenbewijsregeling onderuit halen.
Wie tegenbewijs indient, moet ook ongerealiseerde waardestijgingen meetellen — een winst op papier is fiscaal een echte winst.

Vier dingen die je zelf kunt uitrekenen

Zonder rekentool zijn er vier vragen die je vandaag al kunt beantwoorden:
  • Wat verdient mijn spaargeld werkelijk aan rente, na aftrek van kosten?
  • Wat leverden mijn beleggingen echt op — inclusief ongerealiseerde waardestijgingen?
  • Zit ik boven of onder het heffingsvrije vermogen van € 59.357 (of € 118.714 met partner)?
  • Zit ik onder de forfaits van 1,28% (spaargeld) en 6,00% (overig)? Dan loont het om de tegenbewijsregeling te vragen.
Reken dat één keer per belastingjaar door en je weet of je aanslag opnieuw moet, of dat de standaardaangifte volstaat.

En als 2028 tóch niet lukt?

Het uitstel kost de schatkist circa € 2,4 miljard per jaar. De Eerste Kamer twijfelt hardop of belasting over ongerealiseerde koerswinsten wel houdbaar is, en het kabinet werkt aan een tussenstap richting een vermogenswinstbelasting in 2029. De kans dat 1 januari 2028 opnieuw opschuift is dus reëel. Twee volle belastingjaren met het huidige forfaitaire stelsel, misschien drie. Genoeg tijd om te kiezen wat voor jou goedkoper uitpakt.
loading

Loading