Wanneer is een kopje prima en wanneer wordt het riskant voor je bloedvaten? Dit zeggen onderzoeken en
Nederlandse adviezen erover.
Koffie is in Nederland bijna een basisvoorziening: gemiddeld drinken we meerdere koppen per dag. Maar wie een te hoog cholesterol heeft, krijgt vaak te horen op zijn koffie-inname te letten.
Hoe terecht is dat eigenlijk? Belangrijk om te weten:
het gaat niet zozeer om de koffie zelf, maar om de manier waarop je die zet. In koffiebonen zit een vetachtige stof, cafestol, die het LDL-cholesterol (“het slechte”
cholesterol) kan verhogen. Hoe minder goed de koffie wordt gefilterd, hoe meer cafestol in je kopje belandt – en hoe groter het effect op je bloedvetten.
Feiten en achtergrond
Bij klassieke filterkoffie blijft cafestol grotendeels achter in het papieren filter. Daardoor heeft filterkoffie nauwelijks invloed op je cholesterol, zolang je het bij een paar koppen per dag houdt. Oploskoffie en koffiepads (zoals Senseo) bevatten ook maar weinig cafestol.
Dat verandert bij ongefilterde varianten. Kookkoffie, Turkse koffie, cafetière/French press en sommige vormen van sterke espresso bevatten duidelijk meer cafestol. In studies leidde een hoge inname van ongefilterde koffie tot een stijging van het LDL-cholesterol met zo’n 10 à 20 procent, wat zich vertaalt in een hogere kans op
hart- en vaatziekten. Stop je met dit soort koffie, dan zakt je cholesterol weer terug richting het oude niveau.
Daarmee wordt koffie vooral een kwestie van zetmethode en hoeveelheid, niet van een streng verbod. Huisartsen en cardiologen wijzen er steeds vaker op dat je met een simpele switch – van cafetière of Turkse koffie naar filter – een merkbaar verschil in bloedwaarden kunt maken, zonder je koffieritueel helemaal op te geven.