Jeuk is een vreemd soort lijden: het doet niet echt
pijn, maar het dringt zich op. Wie jeuk heeft, kan aan weinig anders denken. En precies daarom zeggen onderzoekers al jaren dat jeuk een eigen, krachtige prikkel is — verwant aan pijn, maar niet hetzelfde. In het dagelijks leven merk je dat meteen: je kunt je
“over jeuk heen zetten” nog minder goed dan over een zeurende pijn.
Wat gebeurt er dan?
Jeuk is een signaal dat via zenuwbanen van de
huid naar het ruggenmerg en de hersenen gaat, net als pijn. Maar die signalen lopen niet één-op-één over dezelfde rails. Wetenschappers beschrijven meerdere jeukroutes (ook zonder histamine, dus niet alleen de klassieke muggenbult) en laten zien dat jeuk en pijn elkaar in het zenuwstelsel kunnen tegenwerken. Dat verklaart het oergevoel dat krabben oplucht: je wekt een lichte pijnprikkel op die jeuk tijdelijk kan “overstemmen”.
Krabben helpt, maar maakt het vaak erger.
Je zet met krabben een pijnprikkel aan die jeuk remt, waardoor je even oplucht. Tegelijk beschadig je de huid en vergroot je irritatie. Het gevolg: meer gevoeligheid, meer jeuk, meer krabben. Artsen adviseren daarom bij jeuk vaak eerst “barrièreherstel” (huid niet laten uitdrogen, minder heet douchen) en pas daarna gerichte behandeling als er een oorzaak is zoals eczeem, allergie of schurft.
Die opluchting is ook de valkuil. Krabben beschadigt de huidbarrière, veroorzaakt irritatie en kan ontsteking aanjagen — waarna de jeuk terugkomt. Zo ontstaat de bekende jeuk-krab-cyclus: hoe meer je krabt, hoe groter de kans dat je jeuk onderhoudt.
Jeuk is dus geen aanstellerij, maar een alarmsysteem dat kan ontsporen. En het is ook een maatschappelijke kwestie: een klacht die slaap breekt, concentratie sloopt en mensen in een neerwaartse spiraal kan duwen. Misschien is de beste definitie daarom niet medisch, maar praktisch: jeuk is pijn die je dwingt om mee te doen.