Als je een kind krijgt moet je instaat zijn te geven zonder te willen ontvangen. Ouderlijk liefde wordt destructief wanneer ze niet langer in dienst staat van het kind, maar van de onvervulde verlangens van de ouder zelf. Dan verandert koesteren ongemerkt in controleren, en nabijheid in verstikking.
De romantiek van het ‘perfecte’ gezin
In traditionele samenlevingen kregen kinderen vooral een functie: zij moesten later voor hun
ouders zorgen of het familiebezit veiligstellen. In moderne gezinnen is die functionaliteit vervangen door een bijna romantisch ideaal: kinderen moeten het ultieme bewijs zijn van liefde en van een geslaagd leven.
Psychotherapeut Wolfgang Schmidbauer beschrijft hoe ouders hun relatie met hun kinderen zijn gaan idealiseren, waardoor onvermijdelijk bittere teleurstellingen ontstaan als de werkelijkheid weerbarstiger blijkt.
Die romantische blik maakt kinderen tot projectiescherm van wat de
ouders zelf niet hebben bereikt. Wat de wereld hen heeft onthouden, moet het kind goedmaken: het kind moet wel succesvol worden, gelukkig zijn, geen fouten maken.
Wanneer liefde omslaat in controle
Overbescherming begint vaak met angst en goede bedoelingen:
ouders willen hun kind behoeden voor pijn, mislukking en verdriet. Maar onderzoek laat zien dat juist die overprotectie samenhangt met meer angst, depressie en sociale terugtrekking bij jongeren. Wie nooit zelf mag vallen, leert niet op eigen benen staan.
Een tweede verschuiving is subtieler:
emotionele controle vermomt zich als zorg. Ouders die hun kind met schuldgevoel, schaamte of drama bij zich houden, presenteren dat als diepe betrokkenheid, terwijl het kind vooral leert dat autonomie ondankbaar of egoïstisch is. In zogenoemde ‘enmeshed’ gezinnen raken grenzen tussen ouder en kind zo vervaagd dat het kind zich verantwoordelijk gaat voelen voor het emotionele welzijn van de ouder.
Het kind als emotionele partner
Schmidbauer beschrijft hoe de ouder-kindrelatie in de praktijk steeds meer gaat lijken op een romantische relatie. De ouder verwacht dat het kind aanvoelt wat nodig is, bevestiging geeft, en ergens de leegte vult die eerder door een partner had moeten worden opgevangen. De baby, het kind, de puber kan die rol per definitie niet vervullen, maar de verwachting blijft.
Psychologen spreken in dit verband over parentificatie: het kind wordt in feite de emotionele partner of therapeut van de ouder. In zulke gezinnen is afstand nemen een verraad, en wordt volwassen worden een moreel probleem in plaats van een ontwikkelingsstap. De prijs wordt pas later zichtbaar, in relaties waarin de inmiddels volwassen kinderen moeite hebben met grenzen, conflict en eigen keuzes.
De paradox is pijnlijk: ouders willen vaak niets liever dan dat hun kind sterk, vrij en gelukkig wordt, maar hun manier van liefhebben maakt dat precies moeilijker. Jongeren die opgroeien onder hoge psychologische controle ontwikkelen aantoonbaar meer gevoelens van hulpeloosheid, lagere zelfwaardering en sterkere depressieve klachten. Wie altijd eerst de ouder heeft moeten redden, vindt het lastig om zichzelf serieus te nemen.
Gezonde ouderliefde betekent uiteindelijk: de ander laten worden wie hij of zij is, ook als dat niet past bij het script in het hoofd van de ouder. Het meest liefdevolle gebaar is soms niet beschermen, maar loslaten; niet sturen, maar blijven staan als veilige haven, ook als het kind een heel andere richting kiest dan ooit gedroomd.