Er zijn van die kinderen over wie iedereen zegt: “Daar heb je geen
kind aan.” Ze doen hun huiswerk zelf, maken geen ruzie, passen zich aan. In chaotische gezinnen zijn dat de kinderen die stilletjes leren: hoe minder ruimte ik inneem, hoe veiliger het hier is.
Van buitenaf lijken ze stoer, zelfstandig en makkelijk. Van binnen raken ze echter langzaam het contact kwijt met hun eigen behoeften. Niemand vraagt hoe het écht met ze gaat, zolang ze maar functioneren. Dat voelt als waardering, maar het is vaak een kind dat onzichtbaar wordt precies op de momenten dat het iemand nodig heeft.
Die strategie nemen ze mee naar hun volwassen leven. Ze hebben vrienden, een relatie, misschien een gezin. Ze zorgen, regelen, lossen problemen op. Iedereen leunt op hen. En toch voelen ze zich op een dieper niveau leeg en eenzaam, op een manier die ze nauwelijks kunnen uitleggen. Want hoe kun je je eenzaam voelen als je leven op papier “goed” is?
Het antwoord ligt in dat oude overlevingspatroon: nooit lastig zijn, nooit teveel zijn, nooit iets nodig hebben.
Volwassen worden betekent dan niet alleen een baan en een hypotheek, maar ook langzaam afleren wat je ooit heeft beschermd. Oefenen met zeggen: “Ik trek het niet”, “Ik heb je nodig”, “Ik ben niet altijd de sterke.”