Door de aanhoudende
hittegolf lopen in meerdere provincies beweegbare bruggen vast doordat staal en beton uitzetten. Bestuurders grijpen naar noodmaatregelen: van koelen met water tot het letterlijk afslijpen van brugdelen met een slijptol. Wat zegt dat over de staat van de Nederlandse infrastructuur – en over ons klimaatbestuur?
De extreme
hitte van eind juni en eind juni/begin juli legt op veel plekken de kwetsbaarheid van Nederlandse bruggen bloot.
In Zuid-Holland worden bij warm weer stukken metaal van bruggen geslepen om te voorkomen dat ze niet meer open of dicht kunnen omdat de constructie is uitgezet. Rijkswaterstaat koelt tegelijk meerdere bruggen in Groningen en Friesland continu met water, terwijl Overijssel bruggen en sluizen na 14.00 uur helemaal niet meer bedient uit vrees dat ze niet meer goed sluiten.
Het mechanisme is simpel en onverbiddelijk: bij hoge temperaturen zetten staal, beton en bewegende delen uit. Daardoor kan de ruimte tussen brugdek en betonnen landhoofden of tussen verschillende platen zo klein worden dat delen klem komen te zitten. In Zuid-Holland wordt daarom ter plekke met een slijptol extra ruimte gecreëerd, “als de ruimte tussen de metalen brugplaten en de betonnen onderconstructie te krap wordt”. Elders proberen beheerders de schade te beperken met hitteprotocollen, aangepaste bedieningstijden en waterkoeling.
Wat hier zichtbaar wordt, is meer dan een technisch detail: het is een botsing tussen een verouderende infrastructuur en een klimaat dat sneller verandert dan de ontwerpuitgangspunten van veel bruggen. KNMI en RIVM waarschuwen dat hittegolven vaker en heviger worden; het Nationaal Hitteplan is inmiddels landelijk actief, en code rood voor extreme hitte is geen zeldzaamheid meer. Toch werken veel beheerders nog met noodgrepen – dichtdraaien, koelen, slijpen – in plaats van structurele aanpassingen.