Mensen met een hoge intelligentie in hun jeugd ontwikkelen later vaker progressieve opvattingen. Maar dit blijkt sterk afhankelijk van één cruciale factor: of ze naar de universiteit gaan.
Al langer is bekend dat intelligentere volwassenen minder vasthouden aan traditionele normen en hiërarchieën. Ze zijn doorgaans minder dogmatisch en staan meer open voor alternatieve ideeën. Wat tot nu toe onduidelijk bleef, is wanneer en hoe deze houding ontstaat. Zijn slimme kinderen van nature al vrijdenkend of worden ze dat pas later door hun omgeving?
Psycholoog Joshua Isen en zijn team van de University of South Alabama zochten het uit. Hun hypothese: hoger onderwijs fungeert niet simpelweg als tussenstap, maar als katalysator. Met andere woorden, intelligentie leidt niet automatisch tot progressieve ideeën. Die komen pas tot bloei in een academische omgeving.
De onderzoekers analyseerden eerst gegevens van ruim 3200 ouders uit de Minnesota Twin Family Study. Ze keken naar intelligentiescores, opleidingsniveau en opvattingen over zaken als religie, gehoorzaamheid en moraal. Daaruit bleek dat hoger opgeleiden met een hoge intelligentie significant minder traditioneel dachten dan hun minder geschoolde tegenhangers.
Om de ontwikkeling beter te begrijpen, volgde het team vervolgens bijna 2800 jongeren van hun 17e tot hun 29e. Opvallend: op 17-jarige leeftijd was er geen enkel verband tussen intelligentie en progressieve attitudes. Sterker nog, toekomstige studenten waren aanvankelijk juist iets traditioneler.
Onderwijs nodig
Pas tijdens de twintiger jaren begonnen de verschillen zichtbaar te worden. Jongeren die geen hoger onderwijs volgden, bleven grotendeels bij hun oorspronkelijke overtuigingen of werden zelfs iets traditioneler. Hun intelligentie speelde daarbij geen rol.
Heel anders verliep het bij studenten. Hoe hoger hun intelligentie, hoe sterker ze tijdens hun studie afstand namen van conventionele normen. Vooral tijdens de studiejaren vond de grootste verschuiving plaats.
Volgens de onderzoekers wijst dit erop dat vooral het academische klimaat – en mogelijk de invloed van docenten en het curriculum – deze verandering stimuleert. Slimmere studenten lijken beter in staat om complexe ideeën te verwerken en kritisch te reflecteren op bestaande sociale structuren.
Toch plaatsen de auteurs kanttekeningen. Omdat het om observationeel onderzoek gaat, kan geen directe oorzaak worden vastgesteld. Ook andere factoren, zoals gezinsvorming op jonge leeftijd bij niet-studenten, kunnen bijdragen aan behoudendere opvattingen.
Maar uiteindelijk lijkt het er dus wel sterk op dat intelligentie alleen mensen niet progressief maakt. Daar is ook hoger onderwijs voor nodig.