In augustus 1821 verloor de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer zijn geduld. Vanuit zijn appartement in Berlijn hoorde hij drie vrouwen praten in de hal voor zijn woning. Twee vertrokken toen hij daarom vroeg. De derde niet.
Wat daarna gebeurde, mondde uit in een rechtszaak die zes jaar zou duren. De vrouw, de 47-jarige naaister Caroline Louise Marquet, beschuldigde Schopenhauer ervan haar van de trap te hebben geduwd, waardoor ze blijvend letsel opliep. Schopenhauer hield vol dat hij haar slechts had weggeduwd en dat zij zichzelf opzettelijk had laten vallen om geld los te krijgen. De rechter geloofde haar. Tot haar dood in 1842 moest de filosoof een jaarlijkse schadevergoeding betalen.
Toen het nieuws van haar overlijden hem bereikte, noteerde Schopenhauer in het Latijn droogjes in zijn kasboek: Obit anus, abit onus - “De oude vrouw sterft, de last verdwijnt.”
De moraal? Maak geen lawaai in de buurt van filosofen.
Filosofen versus geluid
Schopenhauer stond niet alleen in zijn afkeer van herrie. Zijn grote voorbeeld, Immanuel Kant, had er eveneens een bijna obsessieve hekel aan. Hoewel Kant bekendstond als sociaal en geestig, kon hij alleen werken in absolute stilte. Volgens de overlevering verhuisde hij ooit vanwege een luidruchtige haan.
In 1784 schreef hij zelfs een officiële klacht aan de politie van Königsberg over gevangenen die luidkeels religieuze liederen zongen. Niet alleen het volume ergerde hem, maar vooral de hypocrisie ervan: Kant vond dat de gevangenen hun vroomheid slechts veinsden om indruk te maken op hun bewakers.
Voor Schopenhauer was lawaai meer dan irritant. In zijn essay On Din and Noise uit 1851 noemt hij het geknal van zwepen in smalle straten “de ware moordenaar van gedachten”. Niet blaffende honden of schreeuwende kinderen, maar juist overbodig geluid vond hij ondraaglijk.
Volgens hem waren mensen die weinig last hadden van lawaai vaak ook minder gevoelig voor kunst, poëzie en intellectuele nuance. Een scherpe geest, zo stelde hij, vereist concentratie en concentratie is kwetsbaar. Zodra een genie wordt onderbroken, verliest het zijn kracht, zoals een leger dat uiteenvalt of een diamant die versplintert.
Had Schopenhauer misschien gelijk?
Opmerkelijk genoeg lijkt modern onderzoek zijn intuïtie deels te ondersteunen. Wetenschappers van Northwestern University ontdekten dat creatieve mensen vaak minder goed zijn in het filteren van irrelevante prikkels. Hun brein staat als het ware open, waardoor onverwachte associaties makkelijker ontstaan.
Dat maakt creatieve geesten inventiever, maar ook gevoeliger voor verstoring.
Het geniebrein lijkt daarmee op een high-performance motor: krachtig, verfijnd en briljant, maar gevoelig voor slechte brandstof. Of, in Schopenhauers termen: voor lawaai.
Misschien was hij dus minder chagrijnig dan we denken. Misschien hoorde hij simpelweg méér dan de rest.