Doping. De profrenners betaalden de controles grotendeels zelf.

Sport
dinsdag, 21 juli 2026 om 17:08
shutterstock_1265645935
Nadat Tadej Pogačar en Jonas Vingegaard vorig weekend midden in de Tour de France uit hun bed werden gebeld voor een dopingcontrole om 2 en 5 uur 's ochtends, laaide een oude discussie weer op. Rennersvakbond CPA wees op iets wat buiten de wielerwereld nauwelijks bekend is: profwielrenners zijn de enige topsporters die zélf financieel bijdragen aan hun controlesysteem. Terwijl andere sporten hun antidopingstrijd bijna volledig laten betalen door bonden, sponsors of overheden, gaat er in het peloton al jaren een percentage van het prijzengeld rechtstreeks naar de controleurs. En dat begint politiek te wringen.

Waar de discussie deze week begon

De directe aanleiding is een reeks nachtelijke controles die door de International Testing Agency (ITA) is uitgevoerd tijdens de rustdag van de Tour. Volgens het Openbaar Ministerie in Parijs werd zowel maillot jaune Tadej Pogačar als klassementsrenner Jonas Vingegaard tussen 2 en 5 uur 's nachts gewekt voor een onaangekondigde test, na toestemming van een Franse rechter van vrijheden en detentie. Onder het UCI-reglement mag zo'n nachtelijke controle alleen bij "ernstige en specifieke vermoedens van doping".
Rennersvakbondsvoorzitter Adam Hansen reageerde furieus. Zijn kernpunt: renners worden behandeld alsof ze verdachten in een strafzaak zijn, terwijl ze in de praktijk mede-opdrachtgever én mede-financier van het systeem zijn dat hen 's nachts uit bed haalt.

Wat wielrenners letterlijk zelf betalen

De financiering van de antidopingstrijd in het wielrennen loopt via een Funding Committee waarin de UCI, de rennersvakbond CPA, de organisatoren (AIOCC) en de teams (AIGCP) samen zitten. De feitelijke uitvoering ligt sinds 2021 bij de ITA in Lausanne, met een jaarbudget dat inmiddels rond de tien miljoen euro schommelt.
Binnen dat model betalen drie partijen direct:
  • De teams. Elke mannen-WorldTeam-ploeg draagt jaarlijks ongeveer 185.000 euro af aan de ITA voor het antidopingprogramma. ProTeams betalen circa 96.000 euro. Alleen al aan de bovenkant van de sport komt er zo meer dan vijf miljoen euro per jaar binnen.
  • De organisatoren. De Tour de France draagt ongeveer 214.000 euro per editie bij, de Giro en de Vuelta elk ruim 181.000 euro. Daarbovenop betalen zij zaken als hotels, transport en de laboratoriumkosten van de monsters.
  • De renners zelf. Van elk prijzengeld dat in een WorldTour-wedstrijd wordt uitgekeerd, gaat 2,7 procent rechtstreeks naar het biologisch paspoortprogramma van de ITA. Dat percentage staat zwart-op-wit in de financiële verplichtingen van de UCI WorldTour.
Voor een gemiddelde renner klinkt 2,7 procent klein, maar de winnaar van de Tour de France laat op die manier tienduizenden euro's aan zijn eigen dopingprogramma achter. Voor knechten met een minimuml­oon van rond de 40.000 euro tellen zelfs kleine afdrachten van etappepremies mee.

Waarom dit uniek is in de topsport

In andere grote sporten wordt de antidopingstrijd vrijwel volledig betaald door bonden, competities en overheden. Voetballers, tennissers, zwemmers of atleten dragen geen structureel percentage van hun prijzengeld af aan de controleurs die hen testen. De ITA zelf noemt in haar communicatie het wielrennen expliciet als voorbeeld van een sport waarin álle stakeholders – inclusief de renners – meebetalen.
"Wist je dat wielrenners de enigen zijn die uit eigen zak betalen voor extra dopingcontroles? Hoewel modern wielrennen drastisch schoner is, betalen renners voor de fouten van voorgaande generaties. Is dat eerlijk?"
Dat is de erfenis van de Festina-affaire uit 1998, het Armstrong-dossier en de bloeddopingschandalen van de jaren nul. Het wielrennen kreeg zijn geloofwaardigheid destijds alleen terug door zelf een deel van de rekening op te pakken. Bijna dertig jaar later is die last er nog steeds, terwijl positieve tests in de Tour sinds 2015 op één hand te tellen zijn.

Wat de renners nu vragen

Hansen en de CPA vragen geen versoepeling van de controles. Ze vragen twee dingen: menselijker procedures rond nachtelijke tests, en een eerlijker verdeling van de kosten.
De vakbond wijst erop dat renners in feite een dubbele prijs betalen. Ze leveren whereabouts-informatie in, ondergaan gemiddeld vier keer per jaar buiten competitie een test, dragen in de Tour ongeveer 600 samples af tijdens de koers zelf – en zien tegelijk 2,7 procent van hun sportieve verdienste verdwijnen naar het orgaan dat die controles uitvoert. In een sport waar het minimumloon nog altijd flink onder dat van andere professionele teamsporten ligt, is dat een gevoelig punt.
loading

Loading