Techbedrijven weten hoe je je voelt. En bepalen zo welke advertenties je ziet

Grote techbedrijven als Facebook en Google rusten niet voor ze echt alles van je weten. Zelfs hoe je je voelt is niet langer privé. Met emotietargeting, het afstemmen van advertenties op je humeur, gaan ze je op je zwakste moment bestoken met advertenties. De methode is uiteraard omstreden.

In een vertrouwelijk rapport dat dagblad The Australian in handen kreeg zet Facebook uiteen hoe een softwareprogramma op basis van berichten, foto’s en reacties kan bepalen of jonge mensen ‘gestrest’, ‘verslagen’, ‘bang’ of ‘nerveus’ zijn. Wanneer zij zich ‘nutteloos’ of ‘een mislukking’ voelen of hun zelfvertrouwen wel ‘een zetje kan gebruiken’. Facebook besluit: Juist op dit soort kwetsbare momenten zijn jongeren ontvankelijk voor advertenties. Het rapport, bedoeld voor een Australische bank, veroorzaakte veel ophef, vooral omdat de doelgroep bestaat uit ‘6,5 miljoen jonge werkenden, studenten en scholieren’. Kinderen dus, die juist als ze kwetsbaar zijn worden benaderd om ze geld af te troggelen.

Facebook is niet het enige bedrijf dat zich met deze misselijk makende manier van dataverzameling wil gaan bezighouden. Ook Google, e-Bay, Apple en Spotify zijn projecten gestart op het gebied van emotietargeting. David Korteweg van privacy-organisatie Bits of Freedom noemt het in de Volkskrant een “heel zorgwekkende ontwikkeling”. “Mensen moeten beseffen dat de verzamelwoede van Facebook en Google groot is, dat ze een steeds intiemer beeld van ons hebben en hun geld primair verdienen met advertenties. En ja, adverteerders willen natuurlijk héél graag weten hoe mensen zich voelen.”

Ook Natali Helberger, hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam, heeft bedenkingen. Omdat consumenten bij emotietargeting benaderd worden op hun meest kwetsbare momenten kunnen ze de aankoop van producten niet goed afwegen. Bovendien weten ze ook niet dat ze op dat moment worden misbruikt door adverteerders. Helberger: “En dan begint het een oneerlijke handelspraktijk te worden. Omdat mensen niet goed geïnformeerd zijn en daardoor niet vrij kunnen kiezen.”

Bron(nen):   De Volkskrant