Nieuwe onderzoeken laten zien dat chatbots verrassend veel invloed hebben op onze overtuigingen. Dat klinkt hoopgevend als het gaat om complottheorieën, maar dezelfde technologie kan net zo makkelijk het tegenovergestelde bereiken. De uitkomst hangt uiteindelijk niet af van kunstmatige intelligentie, maar van de mensen die haar programmeren.
Kan kunstmatige intelligentie helpen om hardnekkige complottheorieën de wereld uit te krijgen? Die vraag houdt wetenschappers steeds vaker bezig. Waar sociale media jarenlang werden gezien als een voedingsbodem voor desinformatie, bestaat nu de hoop dat AI juist kan bijdragen aan een beter geïnformeerde samenleving.
Er zijn inderdaad aanwijzingen dat slimme chatbots mensen aan het twijfelen kunnen brengen over onjuiste overtuigingen. In verschillende experimenten gingen deelnemers in gesprek met een AI-systeem dat niet probeerde te winnen van de gebruiker, maar vooral vragen stelde. Waarom geloof je dit? Welk bewijs overtuigt je? Zijn er feiten die je mening zouden kunnen veranderen?
Die aanpak blijkt effect te hebben. Mensen die niet volledig overtuigd waren van een complottheorie, bleken na zo'n gesprek minder stellig in hun overtuiging. De grootste twijfelaars stonden het meest open voor nieuwe informatie. Bij deelnemers die al diep in de complotwereld waren beland, veranderde er nauwelijks iets.
Tegenargumenten
Een ander onderzoek liet zelfs zien dat een chatbot die actief tegenargumenten aandroeg de overtuiging in een complottheorie gemiddeld met ongeveer twintig procent wist te verminderen. Opvallend genoeg duurden die gesprekken vaak niet langer dan enkele minuten. Vertrouwen speelde daarbij een cruciale rol: hoe meer vertrouwen deelnemers hadden in de chatbot en in officiële kennisbronnen, hoe groter het effect.
Toch is er ook een keerzijde. Niet iedere chatbot is ontworpen om desinformatie tegen te gaan. Onderzoekers testten meerdere populaire AI-systemen met vragen over bekende complottheorieën. Hoewel de programma's meestal erkenden dat het om onbewezen verhalen ging, presenteerden ze regelmatig ook speculaties naast de feiten. Daarmee ontstond de indruk dat beide kanten even geloofwaardig waren.
Sommige AI-modellen gingen zelfs nog een stap verder. Bij vragen over de moord op John F. Kennedy begonnen ze uitgebreid te speculeren over mogelijke betrokkenheid van geheime diensten of de maffia, ondanks het ontbreken van overtuigend bewijs. Een experimentele chatbot maakte er zelfs een spel van door gebruikers complotscenario's en bijpassende afbeeldingen aan te bieden.
Ook de manier waarop een chatbot is ontworpen blijkt invloed te hebben. Wetenschappers ontdekten dat extra vriendelijke en meegaande AI-assistenten vaker geneigd zijn gebruikers gelijk te geven. Die zogeheten 'sycofante' houding maakt gesprekken prettiger, maar vergroot tegelijkertijd de kans dat onjuiste informatie wordt bevestigd in plaats van gecorrigeerd.
Groter risico dan je denkt
Volgens onderzoekers schuilt daarin een groter risico dan veel mensen beseffen. AI leert immers van enorme hoeveelheden tekst die op internet beschikbaar zijn. Wanneer propaganda, misinformatie of complottheorieën massaal online worden verspreid, kunnen taalmodellen die inhoud overnemen en opnieuw presenteren als ogenschijnlijk betrouwbare informatie.
Dat maakt kunstmatige intelligentie tot een krachtig instrument in twee richtingen. Dezelfde technologie kan twijfel zaaien over nepnieuws, maar net zo goed helpen om desinformatie verder te verspreiden. In experimenten bleek zelfs dat aangepaste versies van bestaande chatbots mensen konden overtuigen van complottheorieën wanneer ze daar specifiek voor waren ingericht.
De vraag is daarom niet of AI de waarheid of juist onzin zal verspreiden. Veel belangrijker is wie bepaalt welke informatie een chatbot leert en met welk doel die kennis vervolgens wordt ingezet. De technologie zelf kiest geen kant, uiteindelijk doen mensen dat.