De
wolf is terug. De lynx staat op de drempel om ons land te betreden. De bever bouwt al jaren onverstoorbaar zijn dammen in ons koude kikkerlandje. Als zij het kunnen, waarom de bruine beer dan niet?
Ooit struinde de bruine beer (Ursos arctos) door onze bossen, moerassen en duinen. Tot ver in de Middeleeuwen voelde het majestueuze dier zich hier thuis. Hoeveel beren er precies waren weten we niet, maar dat ze het moeilijk hadden is zeker. Jacht op vlees en pels, conflicten met mensen en vee en grootschalige ontbossing deden de soort de das om. Rond de elfde eeuw was het definitief voorbij.
Berenpoot
Dat de beer hier écht heeft geleefd, bleek nog in 2016. In de Amsterdamse Waterleidingduinen vonden archeologen een vrijwel complete berenvoorpoot, daterend uit 880-970 na Christus. Vermoedelijk een van de laatste Nederlandse beren. Daarna bleef het stil. Heel stil.
In Scandinavië, Roemenië en grote delen van Oost-Europa overleefde de bruine beer wel. Ook in de Alpen en de Pyreneeën zijn kleinere populaties. Dankzij beschermende wetgeving en gerichte herintroducties, zoals in Trentino rond de millenniumwisseling, groeit de Europese berenpopulatie langzaam weer.
Inteelt
Langzaam is hier het sleutelwoord. Beren planten zich traag voort: eens in de twee jaar, met één tot vier jongen. Dat is heel anders dan wolven, die jaarlijks hele nesten produceren. Kleine populaties lopen bovendien het risico op inteelt, wat hun overlevingskansen verkleint.
Toch: beren trekken rond. Vooral jonge mannetjes. Zo dook Bruno in 2006 ineens op in Beieren, de eerste wilde beer in Duitsland in 170 jaar. Zijn avontuur eindigde dramatisch. Na een reeks aanvallen op vee en toenemende angst onder bewoners werd de ‘probleembeer’ doodgeschoten.
Dat verhaal illustreert meteen het grootste probleem voor
Nederland. Beren hebben ruimte nodig. Grote, aaneengesloten bossen. Rust. En maatschappelijke acceptatie. In een land vol snelwegen, steden en landbouw is dat een schaars goed.
Kortom: in theorie kan de beer terugkomen. In de praktijk is
Nederland te klein voor zo’n reus. En misschien is dat maar beter ook.