Een broodje pindakaas valt altijd op de verkeerde kant op de grond; een kat doet dat veel beter. Of de gracieuze viervoeter nou van een schutting springt, uit een boom tuimelt of van het balkon: vaak is er niets aan de hand.
Nog voor je met je ogen knippert, staat het dier alweer netjes op vier poten. Achter dat indrukwekkende trucje zit een bijzonder stukje biologie.
Katten beschikken namelijk over wat wetenschappers de oprichtingsreflex noemen: een razendsnelle reflex waarmee ze hun lichaam in de lucht kunnen draaien.
Complexe reflex
Die reflex begint al te werken wanneer kittens ongeveer drie tot vier weken oud zijn. Tegen de tijd dat ze zeven weken oud zijn, beheersen ze de beweging vrijwel perfect.
Het geheim zit in een combinatie van flexibiliteit, evenwicht en timing. Zodra een kat begint te vallen, gebruikt ze eerst haar evenwichtsorgaan in het binnenoor om te bepalen waar boven en beneden is. Vervolgens draait ze haar kop in de juiste richting. De rest van het lichaam volgt automatisch.
Daarna komt de geweldige flexibiliteit van katten om de hoek kijken. Hun ruggengraat is extreem soepel en bestaat uit meer wervels dan die van mensen. Daardoor kunnen ze hun voor- en achterlichaam onafhankelijk van elkaar draaien. In feite vouwen katten hun lichaam in twee delen en draaien die razendsnel weer recht.
Parachute-effect
Ook hun relatief lichte botstructuur en sterke spieren helpen mee. Tijdens een val spreiden katten hun poten, waardoor hun lichaam een soort parachute-effect krijgt. Dat vertraagt de val en zorgt ervoor dat ze gecontroleerder
landen.
Toch betekent dit niet dat katten onkwetsbaar zijn. Bij grote hoogtes of ongelukkige landingen kunnen ze nog steeds ernstig gewond raken. Dierenartsen zien regelmatig breuken na valpartijen uit ramen of van balkons.
Elegante landing
Dat katten zo vaak op hun pootjes terechtkomen is dus geen toeval, maar een perfect samenspel van evolutie, reflexen en lichaamsbouw. Het resultaat is een van de meest indrukwekkende reddingsmechanismen uit het dierenrijk.