Je
pensioen wordt in het nieuwe stelsel waarschijnlijk vaker verhoogd dan nu, maar het gaat óók vaker omlaag en extra koopkracht komt nooit zonder prijskaartje.
De belofte van meer koopkracht
Een van de centrale beloftes van het nieuwe pensioenstelsel is een
“koopkrachtiger pensioen”: uitkeringen kunnen sneller meestijgen met de inflatie en met beurswinsten dan in het oude stelsel. Minister Vijlbrief wijst er echter expliciet op dat extra koopkrachtinstrumenten in het nieuwe stelsel altijd kosten met zich meebrengen en dat er “geen free lunch” bestaat.
Van vaste uitkering naar meebewegend pensioen
In het nieuwe stelsel ligt niet langer de uitkering centraal, maar de premie: iedereen bouwt een persoonlijk pensioenvermogen (“eigen potje”) op dat belegd wordt op de financiële markten. Daardoor gaan pensioenuitkeringen nadrukkelijker
meebewegen met rendementen en inflatie: in goede jaren kan het pensioen harder omhoog, maar in slechte jaren kan het ook dalen.
Waarom je pensioen straks ook kan dalen
DNB laat in een analyse zien dat betere bescherming tegen inflatie binnen het nieuwe stelsel alleen kan door meer risico te nemen, een lager startpensioen te accepteren, of door vermogen en risico’s anders over de tijd of tussen generaties te verdelen. Als fondsen bijvoorbeeld meer beleggingsrisico nemen voor ouderen om reserves op te bouwen, betekent dat dat uitkeringen in tegenvallende jaren harder kunnen worden geraakt of dat jongeren meer risico dragen.
Instrumenten om koopkracht op te krikken
Pensioenfondsen krijgen verschillende knoppen om aan te draaien: ze kunnen rendementen anders over de jaren verdelen, een solidariteits- of risicodelingsreserve inzetten, of een vaste veiligheidsmarge hanteren bij het verwachte rendement. Ideeën die nu worden onderzocht zijn onder meer: een bewuste lagere startuitkering zodat er later meer ruimte is om mee te groeien met de prijzen, het apart zetten van vermogen in goede jaren en speciale beschermingsrendementen tegen onverwacht hoge inflatie.
Wie betaalt de rekening?
Uit de verkenningen van het ministerie en DNB blijkt dat extra inflatiebescherming altijd betaald wordt door iemand: door een lagere uitkering nu, door meer beleggingsrisico, of door een overdracht van vermogen tussen generaties. Ministers Van Hijum en Vijlbrief benadrukken daarom dat elke variant zorgvuldig moet worden getoetst op uitvoerbaarheid, uitlegbaarheid én de verdeling van voor- en nadelen tussen jong en oud.
Waarom het toch aantrekkelijk lijkt
De eerste fondsen die al zijn overgestapt, konden hun pensioenen gemiddeld met rond de 14 procent verhogen, mede doordat in het nieuwe stelsel minder grote buffers nodig zijn en een groter deel van elke euro direct naar de uitkering kan. De regering en veel fondsen benadrukken dat in dit stelsel de kans op verhógingen op de lange termijn groter is dan de kans op verlagingen, al blijven die verlagingen wél nadrukkelijk tot de mogelijkheden behoren.
Wat jij als deelnemer vooral moet onthouden
Voor deelnemers betekent dit dat hun pensioen transparanter en persoonlijker wordt: je ziet beter wat er in jouw potje zit, maar je voelt ook directer de bewegingen van de markt. De prijs van meer perspectief op koopkracht is dus meer zichtbare onzekerheid: je pensioen zal niet alleen kunnen stijgen, maar soms ook dalen – en dat is geen fout in het systeem, maar een bewuste keuze in het nieuwe ontwerp.