Er doen spectaculaire verhalen de ronde over hoeveel tandartsen en zeker orthodontisten zouden verdienen. Punt. De werkelijkheid is minder spectaculair.Salarisvergelijkers strooien met bedragen tussen de vijfduizend en achtduizend euro per maand, maar het enige harde cijfer in de mondzorg staat verstopt in een tariefbeschikking. Daar blijkt de orthodontist op papier beter af te zijn dan de tandarts — en juist die orthodontist ziet zijn tarieven dit jaar het hardst dalen. Twee ton als rekenpost
In de maximumtarieven voor de mondzorg zit een normatieve arbeidskostencomponent: het bedrag dat de toezichthouder inrekent voor de arbeid van een praktijkhouder. Voor 2026 staat die post op € 211.346 voor een praktijkhoudende tandarts en op € 223.093 voor een praktijkhoudende orthodontist, telkens voor één fte van 36 uur of meer.
Dat is geen
salaris. Uit dat bedrag moeten ook verzekerings- en pensioenpremies betaald worden, en het is een rekenpost in het tarief, geen garantie. Wat een praktijkhouder er uiteindelijk zelf uit haalt, hangt af van de omvang van de praktijk, de organisatie ervan en het aantal gewerkte uren.
Het normbedrag beloont de functie van praktijkhouder, niet het aantal uren dat iemand maakt.
De vergelijking
| Praktijkhoudend tandarts | Praktijkhoudend orthodontist |
| Normatieve arbeidskosten 2026 (1 fte) | € 211.346 | € 223.093 |
| Tariefontwikkeling per 1 januari 2026 | gemiddeld 1,12% lager | 11,18% lager |
| Richting van het normbedrag bij de herijking | omhoog | licht omlaag |
| Cao voor loondienst | geen | geen |
Waarom de orthodontist het meest inlevert
De herijking van de tarieven pakte voor de beugelbranche hard uit. Beugelbehandelingen werden per 1 januari ruim elf procent goedkoper, terwijl een gemiddelde tandartsbehandeling iets meer dan een procent daalde. Alleen implantaatbehandelingen gingen omhoog, omdat de materiaalkosten daar zijn gestegen.
De beroepsgroep is het er niet mee eens. Een kort geding om de invoering uit te stellen sneuvelde in december: de rechter oordeelde dat de methode voldoende was onderbouwd en dat meer dan 36 uur werken voor een praktijkhouder als normaal mag gelden. In juni verklaarde de toezichthouder het bezwaar tegen het kostprijsonderzoek ongegrond, waarna de beroepsorganisatie in beroep ging bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Die zaak loopt nog.
Na ruim tien maanden bezwaar blijven volgens de beroepsgroep juist de vragen onbeantwoord die voor praktijkhouders het zwaarst wegen.
En in loondienst?
Daar wordt het schimmig. De mondzorg kent geen cao, en de beroepsorganisatie geeft sinds 2022 geen salarisrichtlijnen meer af voor tandartsen. Werkgevers indexeren sindsdien de oude schalen naar eigen inzicht. Vacaturesites komen daardoor uit op alles tussen de vier- en achtduizend euro bruto per maand, zonder dat duidelijk is of het om loondienst, een omzetpercentage of een zzp-uurtarief gaat.
Wie die vergelijkers naast elkaar legt, ziet meteen waarom ze onbruikbaar zijn: sommige geven een orthodontist een lager gemiddelde dan een beginnende tandarts. Dat is in de praktijk ondenkbaar, want orthodontie is een vervolgopleiding boven op tandheelkunde.
Wat u er zelf van merkt
Voor de patiënt is de rekening dit jaar in elk geval iets lager. Een controle, een vulling of het trekken van een kies werd gemiddeld een fractie goedkoper, een beugeltraject fors. Of dat zo blijft, hangt af van hoe het beroep bij de bestuursrechter afloopt: wint de beroepsgroep, dan gaan de normbedragen — en daarmee de tarieven — vrijwel zeker weer omhoog.
Meer weten?