Het gezin met vader, moeder en kinderen was ooit de bouwsteen van Nederland. Inmiddels is de grootste huishoudensvorm van het land: één persoon. Vier op de tien voordeuren gaan open naar een woning waar niemand anders staat te wachten. Er is de afgelopen dertig jaar iets veranderd waar nauwelijks een verkiezingsdebat over is gevoerd, en dat toch bijna alles raakt. In 1995 bestond nog ongeveer een derde van de Nederlandse huishoudens uit één persoon. Begin 2025 waren dat er 3,4 miljoen op een totaal van 8,4 miljoen: veertig procent. In diezelfde periode zakte het gehuwde paar met kinderen van bijna een derde naar minder dan een vijfde van alle huishoudens. De twee lijnen kruisten elkaar rond 2014, en niemand hing de vlag uit.
Zoom verder uit en het beeld wordt nog scherper. In 1971 telde Nederland 685 duizend eenpersoonshuishoudens. Nu zijn het er vijf keer zoveel. De gemiddelde huishoudensgrootte kroop van 2,35 personen in 1995 naar 2,10 nu, en dat daalt door. Volgens de prognose van het statistiekbureau groeit het aandeel alleenwonenden naar 43 procent rond 2045 en 44 procent in 2070.
Niet de single, maar de weduwe
De beeldvorming loopt hier flink achter. Bij "alleenwonend" denken we aan de dertiger met een designbank en een bezorgabonnement. Statistisch klopt daar weinig van. Bijna de hele toekomstige groei komt op het conto van ouderen: het aantal alleenstaande 65-plussers stijgt van ongeveer 1,1 miljoen nu naar 1,6 miljoen in 2045 en 1,9 miljoen in 2070. Vrouwen zijn daarin ruim in de meerderheid, om de weinig opbeurende reden dat mannen gemiddeld eerder overlijden.
Het land van eenlingen is dus voor een groot deel een land van weduwen die nog jaren zelfstandig blijven wonen, in een huis dat ooit voor een gezin was bedoeld. Daarnaast wonen mensen langer alleen vóór een relatie, en vaker opnieuw alleen erna. Individualisering en vergrijzing werken in dezelfde richting.
En let op: alleen wónen is niet hetzelfde als alleen zíjn. Een kwart van de alleenwonenden tussen 18 en 80 had een vaste relatie, bij twintigers zelfs bijna vier op de tien. De registratie zegt iets over adressen, niet over levens.
De rekening van het alleen wonen
Wie in zijn eentje een huishouden draait, betaalt per persoon domweg meer. Het budgetinstituut rekent voor huishoudelijke uitgaven met een opslag van tien procent voor eenpersoonshuishoudens, terwijl grotere huishoudens juist vijftien tot dertig procent goedkoper uit zijn. Boodschappen zijn het duidelijkste voorbeeld: het minimumbedrag voor gezonde voeding is 273 euro per maand voor een alleenstaande en 498 euro voor een stel. Twee keer zoveel monden, geen twee keer zoveel geld.
Dat patroon herhaalt zich bij energie, internet, verzekeringen, gemeentelijke heffingen en vakanties. Overal waar een vast bedrag per aansluiting, per woning of per kamer wordt gerekend, betaalt de eenling de volle prijs. Het is geen samenzwering, wel een systeemfout die met veertig procent van de huishoudens steeds minder een randgeval is.
Meer huishoudens, evenveel mensen
De pijnlijkste consequentie zit op de woningmarkt. Het aantal huishoudens groeit sneller dan de bevolking, simpelweg omdat dezelfde mensen over meer voordeuren verdeeld raken. Vorig jaar kwamen er ongeveer 80 duizend huishoudens bij en groeide de woningvoorraad met 70 duizend woningen, naar 8,3 miljoen. Dat verschil is precies waarom bouwen alleen nooit genoeg is.
Het statistisch woningtekort komt dit jaar uit op 384 duizend woningen, 4,6 procent van de voorraad, iets minder dan de 4,8 procent van vorig jaar. Rond Amsterdam is de spanning het hoogst. In de hoofdstad zelf woont inmiddels 52 procent van de huishoudens alleen, tegen 41 procent in de metropoolregio, terwijl maar 17 procent van de Amsterdamse woningen een eengezinswoning is. De stad heeft zich, min of meer per ongeluk, al aan de toekomst aangepast.
Wat we ervoor terugkrijgen
Er hangt een prijskaartje aan dat niet in euro's is uitgedrukt. Van de alleenwonenden noemt 14 procent zichzelf sterk eenzaam; bij partners in een paar met kinderen is dat 7 procent. Alleenstaande ouders scoren met 18 procent nog hoger. Het is geen wetmatigheid en zeker geen verwijt, maar het is wel een stevig verschil.
Ondertussen is vrijwel al ons beleid nog gebouwd op het model van twee volwassenen die de lasten en de zorg delen. Toeslagen, belastingschijven, hypotheeknormen, mantelzorg, thuiszorg, zelfs de standaard plattegrond van een nieuwbouwwoning. We hebben een land ingericht voor gezinnen en er wonen steeds meer mensen in hun eentje.
Dat vraagt geen medelijden. Het vraagt woningen van veertig tot zestig vierkante meter die geen luxe kosten, een fiscaal stelsel dat niet stiekem een boete op alleen wonen legt, en zorg die ervan uitgaat dat er niemand naast het bed zit. Anders wordt de eenling niet alleen de grootste groep, maar ook de duurste.
Meer weten?