Winston Churchill wist het al: een middagdutje kan wonderen doen. “De rust en de betovering van de slaap midden op de dag verfrissen het menselijk lichaam veel meer dan een lange nacht,” noteerde hij in zijn autobiografie. De wetenschap loopt inmiddels in op zijn intuïtie – maar met een belangrijke nuance:
het gaat om kort en slim dutten, niet om een halve middag wegzakken.
Steeds meer
studies laten zien dat een korte powernap je humeur, alertheid en geheugen merkbaar kan verbeteren. In de jaren negentig gaf
NASA piloten tijdens lange vluchten een kans om in de cockpit te
slapen. De ideale duur bleek 26 minuten: dat leidde tot een toename van de alertheid tot 54 procent en 34 procent betere prestaties dan bij piloten die niet sliepen. Voor kantoormedewerkers is de stress misschien minder extreem dan in een cockpit, maar de biologische mechanismen zijn hetzelfde. Een kort dutje helpt de opgebouwde slaapdruk te verlichten en maakt je brein opnieuw scherp.
Slaaponderzoekers wijzen op een natuurlijke dip in alertheid in de vroege middag, veroorzaakt door ons
circadiane ritme. Neurowetenschapper Matthew Walker beschrijft in zijn boek “Why We Sleep” dat de mens van nature neigt naar een bifasisch slaappatroon: een langere nachtelijke slaap, aangevuld met een kort middagdutje. In traditionele siëstaculturen, zoals delen van Griekenland, blijkt die gewoonte samen te gaan met opvallend hoge levensverwachtingen. Toch geven de meesten van ons niet toe aan de lunchdip, maar werken we koffiedrinkend door.
Dat is misschien jammer, maar ongeremd lang
slapen overdag is ook geen goed idee. Meerdere grote meta-analyses vinden een J‑vormige relatie: korte dutjes lijken gunstig, terwijl dutjes van een uur of langer juist samenhangen met hogere risico’s op hart‑ en vaatziekten en zelfs sterfte. Een overzicht van meer dan 370.000 volwassenen concludeerde dat dutjes van minder dan een uur geen extra sterfterisico opleveren, maar dat vanaf een uur de risicocurve oploopt. Wie standaard dagelijks lang ligt te slapen, moet zich dus afvragen of dat een symptoom is van onderliggende problemen – van slaapapneu tot depressie – in plaats van een gezonde gewoonte.
De kunst is daarom om het dutje kort en bewust in te zetten. Tussen de tien en dertig minuten lijkt het optimum: lang genoeg om je brein op te frissen, kort genoeg om niet in diepe slaap te raken en suf wakker te worden. Een timer is daarbij geen luxe, maar een essentieel instrument. Wie zich, Churchilliaans, midden op de dag even helemaal afsluit, kan daarna productiever en scherper terugkeren. Maar wie zijn powernap routinematig laat uitlopen tot een middagslaap, loopt volgens de huidige stand van de wetenschap eerder gezondheidsrisico’s dan dat hij zijn leven verlengt.
Voor werkgevers en politiek ligt hier intussen een ongemakkelijke vraag. Als korte dutjes aantoonbaar de productiviteit verhogen en de gezondheid mogelijk ondersteunen, waarom is een kwartier
slapen op kantoor dan nog steeds cultureel verdacht, terwijl de vierde espresso van de dag achteloos wordt geaccepteerd? In een economie die draait op cognitieve arbeid is het misschien tijd om de dut niet langer te zien als luiheid, maar als scherp gereedschap – mits het mes niet te lang in de schede blijft.