Eerstgeborenen verdienen gemiddeld net wat meer dan hun jongere broers en zussen. Dat wisten economen en sociologen al langer, maar een nieuwe studie komt met een opvallende aanvulling: infectieziekten in de vroege kindertijd lijken een belangrijk deel van die voorsprong te verklaren.
Onderzoekers gebruikten uitgebreide Deense registerdata, waarin de levensloop van kinderen binnen hetzelfde
gezin wordt gevolgd, inclusief
gezondheid, opleiding en
inkomen. Zo kunnen ze verschillen tussen gezinnen grotendeels wegfilteren en echt kijken naar wat er binnen het
gezin gebeurt: wie wordt wanneer geboren, wie wordt hoe vaak ziek, en wat levert dat later op in euro’s.
Niet alleen opvoeding: simpele verkoudheid kan later je loon bepalen, zegt Deense data‑studie
Wat blijkt:
tweede kinderen verdienen rond hun dertigste gemiddeld zo’n 2 procent minder dan hun eerstgeboren
broer of
zus. Ongeveer de helft van dat verschil hangt samen met vroegkinderlijke ziekte. Jongere kinderen lopen simpelweg meer infecties op, omdat de oudste ziektekiemen mee naar huis neemt uit crèche en klaslokaal. Ernstige infecties op heel jonge leeftijd verstoren de ontwikkeling subtiel, via ontstekingsreacties en extra energieverbruik op cruciale momenten voor brein en lichaam.
Die gezondheidsfactor komt bovenop de al bekende verklaringen uit eerder onderzoek. Ouders besteden relatief meer tijd, aandacht en cognitieve stimulatie aan hun eerste kind: voorlezen, individuele aandacht, educief speelgoed. Eerstgeborenen halen daardoor net iets betere schoolresultaten, scoren hoger op IQ‑tests en belanden vaker in hogere opleidingsstromen en beter betaalde startersbanen. Latergeborenen lijken dat deels te compenseren door vaker van baan te wisselen en meer risico te nemen op de arbeidsmarkt, maar de kleine voorsprong van de oudste blijft in veel studies zichtbaar
Eerste kind verdient meer: nieuwe studie wijst vroege infecties aan als verborgen voorsprongsfactor
Belangrijk is wel de nuance: het gaat om gemiddelden over grote groepen, niet om een natuurwet. In talloze families overstijgen jongere kinderen moeiteloos hun oudere broer of zus. Bovendien zijn de gevonden effecten relatief bescheiden – een paar procent in inkomen, en dan vooral in rijke landen met goede gezondheidszorg en lage kindersterfte. Toch dwingt de nieuwe “germ‑hypothese” ons anders naar kansenongelijkheid te kijken. Niet alleen ouderlijke verwachtingen en opvoeding doen ertoe, maar ook iets triviaals als wie als eerste verkouden thuiskomt, kan uiteindelijk in het loonstrookje doorklinken.