Je begint een zin, en drie woorden later gaat het weer over hem. De koffie wordt koud, je verhaal sneuvelt, en je houdt er een label aan over dat overal opduikt: gespreksnarcisme. Alleen klopt het etiket zelden, en het echte verhaal is ongemakkelijker dan een diagnose op afstand.
Een socioloog, geen psycholoog
De term conversationeel narcisme is eind jaren zeventig bedacht door de Amerikaanse socioloog Charles Derber, in een studie over de manier waarop mensen in alledaagse gesprekken om aandacht concurreren. Hij zette twee reacties tegenover elkaar: de shift response, die het onderwerp naar jezelf trekt, en de support response, die de ander verder laat praten. Een klinisch begrip is het nooit geworden. In Nederland wijzen psychologen er expliciet op dat het woord niet uit hun vakgebied komt en dat het vooral gaat over gebrekkige sociale vaardigheden.
Gespreksnarcisme staat in geen enkel diagnostisch handboek. Het is een sociologische observatie, geen stoornis.
Praten over jezelf is beloning, geen misdrijf
Er is een prozaïsche verklaring voor al dat zelfgepraat: het voelt lekker. Zelfonthulling activeert dezelfde hersengebieden die ook op geld en eten reageren, en proefpersonen bleken zelfs bereid geld in te leveren om over zichzelf te mogen vertellen. Ongeveer een derde tot ruim een derde van alles wat we zeggen gaat over onze eigen ervaringen. Wie eindeloos doorratelt is dus niet automatisch kil of berekenend. Soms is het onhandige verbinding zoeken: ik heb dat ook meegemaakt, zie je wel dat ik je begrijp. Soms ratelt iemand juist omdat jij zo stil bent en te weinig terugkoppelt.
Wat we wel weten
Mensen besteden dertig tot veertig procent van hun spraak aan hun eigen ervaringen. Die neiging hangt samen met activiteit in het beloningssysteem van het brein. Van de lezers van een Nederlands psychologieblad zei dertig procent niet te durven inbreken als iemand blijft doorpraten. Het gaat om onderzoek en peilingen naar gedrag, niet naar persoonlijkheidsstoornissen.
Zo pak je je beurt terug
Wachten tot de ander uit zichzelf stopt werkt niet. Het helpt om de ruimte gewoon te nemen, vriendelijk en zonder verwijt:
•"Vind je het goed dat ik mijn verhaal even afmaak?"
•"Ik wil je zo antwoorden, maar luister eerst twee minuten naar mij."
•"Ik dacht dat je ook wilde weten hoe het met mij gaat."
Bij een vage kennis werkt iets anders beter: stop met knikken, stel geen bemoedigende vragen en spring bij de eerste stilte in. Een opgestoken hand doet vaak meer dan een goed gekozen zin.
Wie wacht tot de ander ophoudt, komt nooit aan de beurt.
Wanneer het wél ernstiger is
Er bestaat een echte narcistische persoonlijkheidsstoornis, en die ziet er anders uit dan een collega die te veel praat. Kenmerkend zijn fantasieën over onbegrensde prestaties, macht, schoonheid of de ideale liefde, en een behoefte om onvoorwaardelijk bewonderd te worden. Het zelfbeeld is daarbij juist uiterst kwetsbaar, omdat het volledig op de goedkeuring van anderen leunt. De stoornis gaat vaak samen met een depressieve stoornis of middelengebruik. Tussen dat beeld en een drukke prater aan de keukentafel ligt een wereld.
Blijft de conclusie dat jij minder waard bent? Nee. Hooguit dat de ander de stilte niet verdraagt.
Meer weten?